Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BOEKV072 - Van twee koningskinderen.

Een sprookje (tijdschriftartikel), 1904

Hoofdtekst

Van twee koningskinderen.

Er was ereis een koning, en die had een zoontje en een dochtertje, waar hij dol van hield. Eens vroegen ze of ze uit wandelen mochten gaan. Ze gingen toen het bosch in, en terwijl ze bloemetjes plukten liepen ze al verder en verder. Eindelijk waren ze vermoeid en gingen dus op het gras zitten uitrusten. Toen zei het zusje: "Nu moeten we naar huis gaan." "Ja," zei het broertje, "dat moeten we." Ze keerden dus weer terug, maar ze wisten den weg niet meer en dwaalden hoe langer hoe verder het bosch in.
Toen ze eindelijk zagen dat ze verdwaald waren, bleven ze staan en begonnen te schreien en te klagen: "Wat moeten we nu doen!" Maar terwijl ze daar stonden, kwam er een oude vrouw aan en die vroeg: "Wel kindertjes, wie ben-je en waarom ben-je zoo bedroefd?" "Wij zijn koningskinderen," zei het zusje toen, "en we hebben bloemetjes geplukt, en nu kunnen we vaders paleis niet meer terugvinden." "Is het anders niet?" zei de vrouw, "ga dan maar met mij mee; 't is nou te laat geworden om je naar het paleis te brengen, maar bij mij thuis zal-je het goed hebben." Broertje en zusje konden dus niet anders doen dan met de oude vrouw meegaan, en al heel gauw kwamen ze bij het huisje waar zij met haar man woonde. Ze gaf den kinderen wat te eten en maakte een bedje voor hen klaar. Maar toen ze den volgenden dag vroegen om naar huis gebracht te worden, zei de vrouw dat dat niet kon, want dat ze vandaag geen tijd had; en zoo ging het alle dagen. Stilletjes wegloopen durfden ze ook niet, want 's avonds en 's nachts riep de vrouw telkens: "Kindertjes, ben-jelui wel te bed?" en dan moesten ze antwoorden: "Ja, we zijn hier," en het zou dus dadelijk zijn uitgekomen als ze weg waren. De kinderen moesten dus tegen hun zin in het huisje blijven.
Zoo was er een poosje voorbijgegaan, toen zusje op een morgen vroeg toevallig hoorde dat de man en vrouw over broertje praatten. Die wisten niet dat zusje hen kon hooren en de vrouw zei: "Er moet een eind aan komen. Ik kan Jantje niet langer uitstaan. Zusje is een meisje: die kun-je voor allerlei gebruiken; maar van Jantje heb-je niets als last en verdriet. Die moet dus zoo gauw mogelijk uit den weg geruimd worden." "Ja," zei de man, "mij is het goed; maar hoe zal-je dat doen zonder dat zusje het merkt?" "O," zei de vrouw, "dat is gemakkelijk genoeg; ik zal vanmorgen vergif in zijn pap doen en dan denkt ze natuurlijk dat hij vanzelf gestorven is." Toen durfde zusje niet langer blijven luisteren, maar ze ging naar Jantje toe en zei dat hij vooral zijn pap niet mocht opeten, en dat de vrouw niet mocht merken dat hij er niets van gegeten had.
Toen ze nu hun pap kregen, zei het zusje: "'t Is zulk mooi weer; mogen we onze pap niet voor de deur opeten?" "Och jawel," zei de vrouw, "maar kom dadelijk weer binnen." Dat beloofden ze, maar Jantje gaf zijn pap aan de eendjes en at toen met zusje mee. De vrouw had er natuurlijk niets van gemerkt, maar ze was heel verwonderd dat Jantje 's middags nog gezond en vroolijk was. Toen de kinderen weer eten kregen, zei zusje: "'t Is zulk mooi weer; mogen we niet voor de deur eten?" "Nee," zei de vrouw; "wat is dat nou voor malligheid, je kunt best binnen eten als altijd." Maar zusje hield zoo lang vol en zei dat het 's morgens zoo plezierig was geweest, dat de vrouw eindelijk toegaf. Ze had deze maal nog meer vergif genomen dan 's morgens, maar omdat Jantje's eten weer naar de eendjes ging, had hij daar geen hinder van.
's Avonds voor de kinderen te bed gingen kregen ze weer pap, maar Jantje zei, dat hij niets geen trek had. "Kom, kom," zei de vrouw, "je moet toch maar wat eten." Maar Jantje bleef zeggen, dat hij bepaald niets kon eten, want dat hij van 's middags al rijkelijk genoeg had. Toen drong de vrouw niet verder aan, want ze was blij, omdat ze meende dat het vergif begon te werken, en kort daarna werden de kinderen naar boven gestuurd om te slapen.
Maar slapen deden de twee koningskinderen niet, volstrekt niet! Want zusje begreep dat ze geen dag langer in het huisje konden blijven en ze had dus met broertje afgesproken, dat ze 's nachts zouden vluchten; er mocht dan van komen wat wilde. De vrouw riep nog een paar maal: "Kindertjes, ben jelui wel te bed?" en zij antwoordden: "Ja, we zijn hier." Maar toen ook de man en vrouw gingen slapen, werd het stil. Zusje en broertje stonden toen stilletjes op en ze liepen op hun kousen naar de trap, om naar beneden te gaan
Toen spuugde zusje op de treden van de trap en zei tegen de spuugjes, dat, als ze hoorden roepen, zij voor hen moesten antwoorden: "Ja, wij zijn er." Toen gingen ze stilletjes de trap af, maakten voorzichtig de deur open en liepen zoo hard als ze konden het bosch in, naar huis toe. Maar het was donker en ze kwamen dus niet heel hard vooruit, en ze hadden maar korte beenen, zoodat ze toen het morgen werd nog ver van het paleis af waren.
Midden in den nacht was de vrouw wakker geworden en ze riep als gewoonlijk: "Kindertjes, ben-jelui wel te bed?" Maar toen ze hoorde dat zij er waren sliep ze weer rustig in.
Met het aanbreken van den dag riep ze weer. Natuurlijk dacht ze dat de kinderen zouden opstaan; maar al waren zij en haar man al lang aangekleed, de kinderen kwamen maar niet beneden. Eindelijk werd ze kwaad, dat de kinderen haar voor den gek hielden; want telkens als ze riep werd er geantwoord. Ze stuurde dus haar man met de tang naar boven om een end aan die kunsten te maken. Maar toen die boven kwam, kon hij veel in alle hoekjes en gaatjes zoeken: de kinderen vond hij niet. De vrouw werd ongeduldig en riep waar de kinderen bleven, en er werd weer geantwoord dat ze er waren. Toen merkte de man hoe de vork in den steel zat en hij riep nu naar beneden: "De kinderen zijn weg, en ze hebben spuugjes op de trap gezet om te zeggen dat ze er nog zijn." De vrouw schrok zoo, dat ze op het eerste oogenblik geen woord kon zeggen; maar het duurde niet lang of ze had haar zinnen weer bij elkaar. Ze dacht: "Schelden en razen geeft niet, daardoor krijg ik ze niet terug. Ze zijn me te slim af geweest, maar dat is niets: ik zal ze gemakkelijk genoeg inhalen." Dat zij de kinderen achterna, zoo hard als ze maar kon. En jawel, na een poos was ze die zoo dicht achterop dat zij ze in de verte zag. Maar zusje merkte ook dat de vrouw hen volgde en ze zei tegen broertje: "Ga gauw mee, hiernaast in het koolland; dan zullen we in een kool kruipen en dan kan de vrouw ons niets doen." Dat gebeurde; ze kropen in een kool. En toen de vrouw kwam op de plek, waar ze de koningskinderen het laatst had gezien, zag ze niets dan een land vol met koolen. "Ze zijn toch slimmer dan ik dacht," zei ze; "maar het zal ze niet helpen: ik weet heel goed dat ze in een kool zitten." Dat zij in het koolland! Ze bekeek en bevoelde de koolen een voor een, en eindelijk vond ze de kool waar broertje en zusje in verscholen zaten. "Zie zoo," dacht ze, "nou heb ik je." Maar hoe ze ook trok en kneep om de bladen van de kool van elkaar te krijgen, het lukte haar niet. Ze werd boos en trok en krabde nog harder, maar de kool ging niet open. Toen ze zag dat het zoo niet ging, stond ze op en, erg uit haar humeur, liep ze nog harder dan ze gekomen was naar haar huis terug om een mes te halen.
Zoodra merkten de kinderen niet dat ze weg was, of ze kropen weer uit hun schuilhoekje te voorschijn en zetten het op een loopen om maar bij het paleis te komen.
De vrouw liep onderwijl terug en toen ze in haar huis was greep ze het eerste het beste mes dat voor de hand lag en ging toen weer de kinderen achterna. Ze liep veel harder dan de vorige keer en voordat de kinderen bij hun ouders konden komen had zij ze weer ingehaald. Zusje merkte weer dat ze aankwam en nog net bijtijds wist ze zich met broertje in een andere kool te verschuilen. Toen de vrouw bij hen kwam, waren ze weer onzichtbaar. Maar de vrouw had nu een mes en ze dacht: "Verschuil je maar, deze keer zal het je niet geven." Het duurde dan ook niet lang of ze had de kool gevonden en ze probeerde die met haar mes open te snijden, maar mis hoor! Wat ze sneed, het mes was veel te stomp en met geen mogelijkheid kon ze de kool open krijgen.
Je kunt begrijpen hoe nijdig ze was dat ze in de haast een slecht mes had meegepakt, want nu moest ze weer naar huis, om een ander te halen. Maar er zat niet anders op, en ze vloog dus weer terug. Thuis nam ze het puntigste en scherpste mes uit de kast en voor alle zekerheid zette ze het nog eens goed aan op den slijpsteen en ze zei: "Nu voor de derde keer zullen jullie me niet weer ontsnappen." Maar door het heen en weer loopen en door al den tijd dien ze aan het uitzoeken en slijpen van het mes had besteed waren de kinderen haar een heel eind op voor gekomen; en hoe hard de vrouw ook liep, juist een halve minuut eerder dan zij waren de koningskinderen aan het paleis gekomen. Ze liepen dadelijk naar binnen, naar de zaal waar de koning was, en je kunt denken hoe blij die was toen hij zijn kindertjes eindelijk weer terug had. Hij pakte ze en zoende ze en zei: "Zijn jelui daar eindelijk weer," en ze waren alle drie overgelukkig.
Maar ook de vrouw was het paleis binnen gegaan, want de soldaten hadden haar niet kunnen tegenhouden, zoo hard liep ze. Toen ging ze op de kinderen af en zei: "Heb ik je daar eindelijk, bengels! marsch, hier vandaan en dadelijk met mij mee naar huis!" De koning hoorde vreemd op, en hij fronste zijn wenkbrauwen; maar de vrouw was niet bang en zei: "Met uw verlof, majesteit, mijn kinderen zijn vannacht weggeloopen en ze moeten weer met mij mee; daar helpt geen lievemoederen aan!" Of de koning al zei dat het zijn eigen kinderen waren, het gaf niets: de vrouw wilde niet toegeven. Dat begon den koning toch eindelijk te vervelen en om er een eind aan te maken, liet hij zijn soldaten binnenkomen en liet aan de vrouw de keus of zij gevangen genomen wou worden of zich tevreden stellen met honderd gulden en dan rustig naar huis gaan. Er zat niets anders voor haar op dan te kiezen en omdat zij zag dat ze het toch niet winnen kon, liet zij zich voor honderd gulden afkoopen.
Toen leefde de koning voortaan heel gelukkig met zijn zoon en dochter. En toen Jantje groot was geworden werd hij koning in plaats van zijn vader, en zusje trouwde met een prins uit een naburig land. En als ze niet gestorven zijn dan leven ze nog.

Onderwerp

AT 0313 - The Magic Flight    AT 0313 - The Magic Flight   

ATU 0313 - The Magic Flight.    ATU 0313 - The Magic Flight.   

Beschrijving

Twee koningskinderen verdwalen in een bos, waar een oude vrouw ze vindt en mee naar haar huis neemt. Daar houdt ze de kinderen een tijdje vast. Ze probeert het broertje te vergiftigen, maar het zusje kan hem bijtijds waarschuwen. De nacht daarop vluchten de kinderen, maar worden de volgende dag al snel ingehaald door de vrouw. Ze vluchten in een kool opdat de vrouw hen niet kan grijpen. De vrouw besluit daarom van huis een mes te halen. Dit geeft de kinderen de gelegenheid verder te vluchten. Tenslotte bereiken ze net voor de vrouw het paleis. De vrouw is ook naar binnen gerend en eist daar de kinderen op. Dit zint de koning niet en stelt haar voor de keuze of gevangen genomen te worden of rustig naar huis te gaan. De vrouw verdwijnt.

Bron

G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 16 (1904), pp. 244-249 N°58

Commentaar

1904
vgl. SINVS004
The Girl as Helper in the Hero's Flight

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20