Hoofdtekst
Van Eldert en Brandert.
En nu zal ik je een vertelseltje vertellen dat echt gebeurd is, want de bewijzen zijn er nog van te zien; zooals je straks hooren zult.
Op de plaats die nu het Eldertsveld heet woonden voor honderden jaren een vader en zijn zoon, die Brandert en Eldert heetten. Ze woonden in een hol onder den grond en het waren griezelige kerels, voor wie niemand veilig was. Om te weten of er iemand in aantocht was hadden ze een touw dwars over den weg gespannen. Kwam er nu een mensch of een wagen voorbij, dan haalde het touw een schel over die in hun hol hing. Eldert en Brandert kwamen dan voor den dag en keken of er wat te rooven viel; ieder die niet goedschiks zijn geld wou geven werd dood gemaakt en het geroofde zilver en goud begroeven ze onder den grond. Dat spelletje hadden ze al heelen tijd uitgehaald, toen er op een keer een nuvere (1) meid voorbij hun hol kwam om naar Norg te gaan. Ze liep tegen het touw, en Eldert kwam buiten en greep haar bij de keel. Maar toen hij zag, dat het zoo'n nuver wicht (2) was, kon hij het niet over zich verkrijgen om haar te vermoorden en hij nam haar dus mee naar het hol. Dat was heelemaal niet naar den zin van den ouden man en Brandert zei dat ze doodgemaakt moest worden zoo goed als de rest, omdat het veel te gevaarlijk was haar te laten leven. Zoo kregen ze ruzie, want Eldert wou haar voor zijn wijf; en het eind was dat Brandert moest toegeven. Het wicht bleef dus leven, maar hoe ze ook smeekte om genade en om vrijgelaten te worden, daar kwam niets van in.
Van toen af bleef er altijd een van de kerels in het hol, omdat ze bang waren dat ze wegsluipen zou, en ze werd heel nauw bewaakt. Maar toen ze een tijd bij hen gewoond had werden ze minder voorzichtig en op een zekeren dag viel de oude man zelfs in slaap. Toen greep het meisje een scheermes en sneed hem den hals af. Zoo hard als ze loopen kon, ging ze op de vlucht. Maar Eldert, die in de buurt was, zag haar gaan en vloog haar achterna. Ze was hem echter een heel eind voor, en eer hij haar kon inhalen had ze een huis bereikt en was dus gered. In zijn woede nam Eldert zijn bijl en smeet haar die achterna en die kwam terecht tegen de baanderdeur (3), en de bijlslag is tegenwoordig nog te zien.
Toen vertelde ze natuurlijk alles wat er gebeurd was en de scholte (4) met zijn dienders gingen op het hol af en ze namen Eldert gevangen; en niet lang daarna kreeg die zijn verdiende loon. Want ze sloegen hem zijn kop af. Zoo was men dus voortaan van die moordenaars bevrijd.
En als het nou avond wordt dan kun-je op het Eldertsveld de witte wijven zien zweven. Dat zijn al de arme menschen die Eldert en Brandert daar vermoord hebben.
1. aardig, mooi. 2. meisje. 3. schuurdeur. 4. schout.
En nu zal ik je een vertelseltje vertellen dat echt gebeurd is, want de bewijzen zijn er nog van te zien; zooals je straks hooren zult.
Op de plaats die nu het Eldertsveld heet woonden voor honderden jaren een vader en zijn zoon, die Brandert en Eldert heetten. Ze woonden in een hol onder den grond en het waren griezelige kerels, voor wie niemand veilig was. Om te weten of er iemand in aantocht was hadden ze een touw dwars over den weg gespannen. Kwam er nu een mensch of een wagen voorbij, dan haalde het touw een schel over die in hun hol hing. Eldert en Brandert kwamen dan voor den dag en keken of er wat te rooven viel; ieder die niet goedschiks zijn geld wou geven werd dood gemaakt en het geroofde zilver en goud begroeven ze onder den grond. Dat spelletje hadden ze al heelen tijd uitgehaald, toen er op een keer een nuvere (1) meid voorbij hun hol kwam om naar Norg te gaan. Ze liep tegen het touw, en Eldert kwam buiten en greep haar bij de keel. Maar toen hij zag, dat het zoo'n nuver wicht (2) was, kon hij het niet over zich verkrijgen om haar te vermoorden en hij nam haar dus mee naar het hol. Dat was heelemaal niet naar den zin van den ouden man en Brandert zei dat ze doodgemaakt moest worden zoo goed als de rest, omdat het veel te gevaarlijk was haar te laten leven. Zoo kregen ze ruzie, want Eldert wou haar voor zijn wijf; en het eind was dat Brandert moest toegeven. Het wicht bleef dus leven, maar hoe ze ook smeekte om genade en om vrijgelaten te worden, daar kwam niets van in.
Van toen af bleef er altijd een van de kerels in het hol, omdat ze bang waren dat ze wegsluipen zou, en ze werd heel nauw bewaakt. Maar toen ze een tijd bij hen gewoond had werden ze minder voorzichtig en op een zekeren dag viel de oude man zelfs in slaap. Toen greep het meisje een scheermes en sneed hem den hals af. Zoo hard als ze loopen kon, ging ze op de vlucht. Maar Eldert, die in de buurt was, zag haar gaan en vloog haar achterna. Ze was hem echter een heel eind voor, en eer hij haar kon inhalen had ze een huis bereikt en was dus gered. In zijn woede nam Eldert zijn bijl en smeet haar die achterna en die kwam terecht tegen de baanderdeur (3), en de bijlslag is tegenwoordig nog te zien.
Toen vertelde ze natuurlijk alles wat er gebeurd was en de scholte (4) met zijn dienders gingen op het hol af en ze namen Eldert gevangen; en niet lang daarna kreeg die zijn verdiende loon. Want ze sloegen hem zijn kop af. Zoo was men dus voortaan van die moordenaars bevrijd.
En als het nou avond wordt dan kun-je op het Eldertsveld de witte wijven zien zweven. Dat zijn al de arme menschen die Eldert en Brandert daar vermoord hebben.
1. aardig, mooi. 2. meisje. 3. schuurdeur. 4. schout.
Onderwerp
ATU 0965* - Robbers’ Alarm Bell.   
SINSAG 0161 - Die Entstehung des "Stipelzeichens"   
SINSAG 0311 - Weisse Frau ist eine zurückgekehrte Tote.
  
Beschrijving
Een vader en een zoon leven in een hol onder de grond. Om voorbijgangers te kunnen bestelen en vermoorden spannen ze een touw met een bel over de weg zodat de voorbijgangers kunnen horen. Op een dag komt een meisje langs. De zoon wil haar niet vermoorden omdat hij haar als vrouw wil. Een jaar lang laten vader en zoon het meisje niet alleen, maar na een jaar moeten ze toch samen naar buiten. Het meisje weet te vluchten. De zoon rent haar achterna en gooit met een bijl naar haar, maar hij raakt haar niet. Het meisje vertelt alles aan de schout, en de twee moordenaars worden onthoofd. Op de plek waar de twee zoveel mensen hebben vermoord, spoken de slachtoffers nu nog als witte wijven rond.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 17 (1905), pp. 102-103 N°72
Commentaar
1890 [14 januari 1894]
vgl. CBOEK058
Vertelster wordt voorgesteld als bejaarde vrouw.
Vertelster wordt voorgesteld als bejaarde vrouw.
Naam Overig in Tekst
Brandert   
Brammert   
Eldert   
Ellert   
Naam Locatie in Tekst
Eldertsveld   
Norg   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
