Hoofdtekst
De zon zal het uitbrengen.
In vroeger tijd hadt je van die postrijders; die brachten de post over en namen ook reizigers mee. Nou heb-je ze niet meer: nou gaat alles per spoor of per tram.
Die postrijder dan waarvan ik je vertellen wou was een jongen van een jaar of negentien. Op een goeien dag moest hij een rijken veekooper naar stad brengen. De weg liep door een groot bosch en toevallig was de veekooper de eenige passagier. Toen kon onze postrijder de verzoeking niet weerstaan: hij nam zijn mes en vermoorde hem. Nou heette die veekooper Zwaan, en toen hij vermoord werd zei hij: "Het zal uitkomen, al most de zon het ook uitbrengen."
De postrijder kwam terug en niemand merkte wat bijzonders. De veekooper daarentegen kwam niet weerom, maar die misten ze niet, want die hoorde elders thuis. Voor alle zekerheid bleef de postrijder eerst nog een poos rijden; maar na een jaar ging hij aan den anderen kant van de stad wonen: daar kende niemand hem en daar leefde hij als een heer.
Een tijd daarna kreeg hij trouwplannen. Hij had zin in een meisje uit de buurt en dat mocht hem ook wel lijden. Maar haar broers hadden een hekel aan hem. Waarom? Dat wisten ze eigenlijk niet, maar ze konden hem maar niet zetten. Ze hadden dan ook telkens ruzie en eens liet een van de broers zich ontvallen, dat hij hem niet vertrouwde en dat hij hem ergens van verdacht. Dat was natuurlijk kras gezeid en maakte de verhouding nog slechter, maar zijn meisje liet zich niet ompraten en op het laatst zouden ze dus trouwen.
De trouwdag werd vastgesteld en er werd bruiloft gevierd, dagen lang, zooals dat vroeger de gewoonte was. De bruigom bleef dus in het huis van de bruid slapen. Nou lag zijn kamer gevallig (1) op de zonzijde en toen 's morgens de zon naar binnen scheen, juist op zijn bed, dacht hij aan wat de veekooper gezegd had en zei: "Nee, nee, Zwaan, het zontje zal het niet verklappen." Het toeval wou dat de broer net voorbijkwam en hem hoorde praten. Die bleef staan en luisterde; en toen hoorde hij nog eens: "Nee, nee, Zwaan, het zontje zal het niet verklappen." Ik behoef wel niet te zeggen, dat de broer het er toen niet bij liet. Het duurde niet lang of hij kwam er achter, dat zijn aanstaande zwager den veekooper had vermoord en daardoor rijk was geworden. Toen werd hij natuurlijk ingerekend en kreeg zijn verdiende loon.
Dit moet waar gebeurd wezen.
1. toevallig.
In vroeger tijd hadt je van die postrijders; die brachten de post over en namen ook reizigers mee. Nou heb-je ze niet meer: nou gaat alles per spoor of per tram.
Die postrijder dan waarvan ik je vertellen wou was een jongen van een jaar of negentien. Op een goeien dag moest hij een rijken veekooper naar stad brengen. De weg liep door een groot bosch en toevallig was de veekooper de eenige passagier. Toen kon onze postrijder de verzoeking niet weerstaan: hij nam zijn mes en vermoorde hem. Nou heette die veekooper Zwaan, en toen hij vermoord werd zei hij: "Het zal uitkomen, al most de zon het ook uitbrengen."
De postrijder kwam terug en niemand merkte wat bijzonders. De veekooper daarentegen kwam niet weerom, maar die misten ze niet, want die hoorde elders thuis. Voor alle zekerheid bleef de postrijder eerst nog een poos rijden; maar na een jaar ging hij aan den anderen kant van de stad wonen: daar kende niemand hem en daar leefde hij als een heer.
Een tijd daarna kreeg hij trouwplannen. Hij had zin in een meisje uit de buurt en dat mocht hem ook wel lijden. Maar haar broers hadden een hekel aan hem. Waarom? Dat wisten ze eigenlijk niet, maar ze konden hem maar niet zetten. Ze hadden dan ook telkens ruzie en eens liet een van de broers zich ontvallen, dat hij hem niet vertrouwde en dat hij hem ergens van verdacht. Dat was natuurlijk kras gezeid en maakte de verhouding nog slechter, maar zijn meisje liet zich niet ompraten en op het laatst zouden ze dus trouwen.
De trouwdag werd vastgesteld en er werd bruiloft gevierd, dagen lang, zooals dat vroeger de gewoonte was. De bruigom bleef dus in het huis van de bruid slapen. Nou lag zijn kamer gevallig (1) op de zonzijde en toen 's morgens de zon naar binnen scheen, juist op zijn bed, dacht hij aan wat de veekooper gezegd had en zei: "Nee, nee, Zwaan, het zontje zal het niet verklappen." Het toeval wou dat de broer net voorbijkwam en hem hoorde praten. Die bleef staan en luisterde; en toen hoorde hij nog eens: "Nee, nee, Zwaan, het zontje zal het niet verklappen." Ik behoef wel niet te zeggen, dat de broer het er toen niet bij liet. Het duurde niet lang of hij kwam er achter, dat zijn aanstaande zwager den veekooper had vermoord en daardoor rijk was geworden. Toen werd hij natuurlijk ingerekend en kreeg zijn verdiende loon.
Dit moet waar gebeurd wezen.
1. toevallig.
Onderwerp
AT 0960 - The Sun Brings All to Light   
ATU 0960 - The Sun Brings All to Light.   
Beschrijving
Een jonge postrijder moet een rijke veehandelaar vervoeren. Vlak voordat hij in het bos veekoper Zwaan berooft en vermoordt, roept deze uit dat de zon het aan het licht zal brengen. De moord wordt niet opgehelderd en de postrijder gaat elders een rijk leven leiden. Hij krijgt verkering met een boerendochter en trouwt met haar, hoezeer haar broers ook een hekel hebben aan de jongen. Na de bruiloft slaapt de jongen in een kamer waar de zon door de spleten schijnt. De jongen begint in zijn slaap te praten: "Nee Zwaan, de zon zal het niet aan het licht brengen". Dit hoort de boer en hij hoort zijn slapende schoonzoon uit. De jongen bekent de moord en wordt gearresteerd.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 18 (1906), pp. 25-26 N°77
Commentaar
[2 april] 1903
vgl. CBAK0389
The Sun Brings All to Light
Naam Locatie in Tekst
Zwaan   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
