Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BOEKV102 - Van roovers in het bosch.

Een sprookje (tijdschriftartikel), 1901

Hoofdtekst

Van roovers in het bosch
Je weet wel dat het geld versturen vroeger niet zoo gemakkelijk ging als tegenwoordig. Je hadt toen ook nog geen bankbiljetten en als je dus een heele som geld bij je hadt en het lastig was die in een zak mee te dragen, dan droeg-je het geld in een leeren riem om je lijf.
Nou was er in dien tijd ereis een notaris die naar een andere plaats geld te brengen had. Het was een heele vracht en het was nog gevaarlijk ook, want hij moest door een dicht bosch, waarin ze zeiden dat roovers waren.
Maar zijn zoon - een groote sterke kerel - zei: "Geef het mij maar: ik ben niet bang."
Hij verdeelde het geld dus over verschillende riemen en bond die om zijn lijf en zijn armen. Toen zadelde hij zijn paard en ging op reis. Tegen den avond kwam hij bij een kastelein die vlak bij het bosch woonde. Het was winter en er hing een leelijke sneeuwlucht en het zou denkelijk wel onweer worden. De kastelein raadde hem dan ook sterk af verder te gaan, te meer omdat het zoo onveilig was. Maar omdat het geld er op tijd wezen moest, besloot hij toch verder te gaan. Hij liet dus zijn paard zadelen en ging weer op rit.
Een tijdlang ging dat goed, maar toen begon het te weerlichten van heb ik jou daar, en een sneeuwjacht dat hij uit zijn oogen niet kon zien! Om kort te gaan: hij verdwaalde. Wat moest hij toen beginnen? Hij had wel eens gehoord dat het instinct van een paard je wel weer bij een bewoond huis brengt. Dus hij liet zijn paard den vrijen teugel, dan zou dat hem wel terecht brengen. Zoo reed hij voort, maar telkens verbeeldde hij zich dat er iemand achter hem was. Ging hij harder, dan ging die ook harder; hield hij zijn paard in, dan hield ook de ander stil. Maar zien kon hij niets, want het was pikdonker. Op het laatst begon de lucht toch op te klaren en bij het licht van de maan zag hij een muur waarop wat zat: hij dacht van menschen. Hij reed dus voorzichtig verder; maar toen hij vlak bij was, gaf hij het paard een klap op zijn bil, dat het er met een paar sprongen voorbij vloog. En dat was maar goed ook, want hij hoorde dadelijk twee schoten vallen. Maar die misten; zeker omdat hij ineens zoo hard was gaan rijden. Hij hoorde de kerels nog van den muur springen, maar die konden hem natuurlijk niet inhalen.
Ten slotte kwam hij dan toch eindelijk bij een boerenplaats. Daar reed hij de werf op, maar uit voorzichtigheid klopte hij niet dadelijk aan: hij wou eerst eens naar binnen kijken. Dat ging niet, want de ruiten waren bevroren; dus hij krabde er met zijn nagel wat af. Toen begon er een hond te blaffen. Gelukkig! gauw hield die zich weer stil. Maar toen ging de deur voorzichtig open en kwam er een meid voor, die vroeg wat hij wou.
"Ja," zei hij, "ik ben vreemd volk. Ik ben in het bosch amper aan de roovers ontsnapt en nou wou ik hier dus wel logeeren."
"Dat zou ik niet doen," zei de meid, die medelijden met hem had omdat het zoo'n knappe jonge kerel was, "ga liever maar door, want de roovers wonen hier."
Dat vond hij dan ook raadzaam; maar daar komt een rukwind, die de deur openwaait, en hij kan niet meer weg. Hij zag toen zeven roovers bij het vuur zitten.
"Kom maar binnen, maat," zeggen ze, "we zullen wel voor je zorgen."
Nou, ze namen zijn paard en brachten dat op stal en hij ging naar binnen. Ze raakten aan den praat en vertelden dat ze herders waren en verder zoo wat boerden om aan den kost te komen.
Hij deed natuurlijk of hij dat geloofde en toen ze zeiden: "Je zult wel koud geworden wezen, we moesten dus maar een glaasje drinken," proefde hij wel goed mee, maar paste toch op dat hij niet te veel kreeg.
Niet lang zaten ze of er kwamen nog twee kerels: die hadden hunne handen bezeerd. Dat waren namelijk de roovers die van den hoogen muur afgesprongen waren en toen in de dorens terecht waren gekomen, maar ze zeiden natuurlijk dat het van wat anders kwam.
Om een uur of elf hield hij hem of hij slaperig werd, en hij ging te bed.
Op het bed vond hij een grauw papiertje dat de meid geschreven had en daar stond op: "Red-je dat je wegkommen, denk om den bulhond, spring door het raampje."
Hij was nog niet heelemaal uit de kleeren, toen kwamen er al twee roovers kijken om het licht weg te halen.
Hij deed net of hij om geen kwaad dacht en zei: "Nemen jelui het licht maar mee; ik zal me wel redden."
Behalve zijn geld had hij onder anderen ook nog een paar kaarsen bij zich. Toen ze weg waren deed hij dus de deur op den grendel, stak een kaars op en keek ereis door het raampje. Dat viel hem niets mee. Het was hoog van den grond en een groote bulhond lag er onder. Op zijn kamer stond echter een piek, die nam hij en daar stak hij den hond mee dood. Toen scheurde hij zijn hemd door en knoopte de stukken aan mekaar; daar gleed hij langs naar beneden en toen liet hij zich vallen. Zoo kwam hij buiten, en hij aan het loopen, wat hij maar kon! Maar dat was allemaal niet zoo stil gebeurd, of de roovers hadden wel gemerkt wat er gaande was. Ze joegen dus den tweeden bulbond op hem af, die aan den anderen kant van het erf lag. Gelukkig had hij zijn jas niet vergeten en die gooide hij naar den hond. Die beet er dadelijk in en ging er mee naar de roovers. Maar die hitsten hem alweer op.
"Ja," dacht hij, "dat moet ik verliezen: ik kan het niet volhouden."
Daar zag hij een brug. Hij daar onder. De hond rook hem natuurlijk en kwam op hem af.
Nou had hij, zooals ik gezegd heb, zijn geld in riemen om zijn lijf en zijn armen gebonden. Hij stak dus een arm uit; de hond beet toe, maar bezeerde hem niet. Zoo trok hij den hond naar zich toe; toen pakte hij hem beet en verdronk hem. Niet lang daarna hoorde hij de roovers over de brug komen.
Ze zeiden: "Heeft hij hem nou nog niet? We begrijpen er niets van."
Hij bleef stilletjes zitten en na een half uur kwamen ze weer terug, pruttelen geen gebrek, en vloeken van je leven zoo niet.
Toen het dag werd kwam hij natuurlijk onder de brug vandaan en liep naar de stad. Daar gaf hij het natuurlijk aan en een massa politie ging op de boerenplaats af. Maar toen ze daar aankwamen waren de roovers gevlogen. Alleen een was er nog, maar die lag vermoord op den grond, en de meid hing boven op den zolder te bungelen.
Nou zal-je wel vragen, hoe dat kwam. Dat zal ik je vertellen. Een jaar of vier vijf later kwam de zoon van den notaris daar weer in de buurt en toen hoorde hij dat ze roovers gepakt hadden en dat de hoofdman de persoon was die op de boerenplaats gewoond had. Hij zei niks, maar ging naar de gevangenis en vroeg om den roover te spreken.
"Heb je daar kennis aan?" vroeg de portier.
"Dat gaat jou niet aan," zei hij weer, "ik wou hem erg graag ers spreken."
Nou, hij mocht dan. Toen hij bij den hoofdman kwam zei hij: "Ik ben de persoon die jelui toen vergeefs gezocht hebben. Vertel jij me nou ereis waarom het met die meid en dien ander zoo slecht is afgeloopen."
"Dat is gauw gezeid," zei die roover; "mijn man verkeerde met de meid en nou verweet hij haar dat ze jou had laten ontvluchten. Toen werd ze kwaad en heeft hem doodgestoken, en daarop heeft ze haar eigen opgehangen."
"Heb-je geen berouw over je rooven en moorden?" vroeg hij toen.
"Wel nee," zei hij: "ieder in zijn vak. Hoe meer we stelen en moorden hoe plezieriger."
Niet lang daarna is hij met de andere roovers aan de galg geknoopt.

Onderwerp

SINAT 0999 - Andere Räubergeschichten    SINAT 0999 - Andere Räubergeschichten   

Beschrijving

Een notariszoon moet door een gevaarlijk bos riemen met geld gaan afleveren. Hij verdwaalt door het slechte weer en laat zijn paard de vrije teugel om een onderdak te vinden. Als hij langs een muur komt waar mensen bovenop zitten, rijdt hij snel weg. Twee schoten worden afgevuurd, maar raken hem niet. Hij bereikt een boerderij. De oude meid waarschuwt hem dat hier rovers wonen. Voor hij kan vertrekken, hebben de mannen hem al ontdekt; ze doen zich voor als herders en nodigen hem binnen. De jongen speelt het spel mee en gaat naar bed. Hij vindt een briefje van de meid: spring uit het raam en pas op voor de hond. Met een piek doodt hij de hond. Hij springt uit het raam en gooit een tweede hond zijn jas toe. De achtervolging wordt ingezet. De jongen verstopt zich onder een brug. Als de hond hem vindt en zich vastbijt in een geldriem, weet de jongen het dier te verdrinken. De rovers geven de zoektocht op, en de jongen haalt de politie. De rovers blijken de boerderij te zijn ontvlucht. Eén rover ligt vermoord op de grond, de meid heeft zich opgehangen. Als later de roverhoofdman toch wordt gearresteerd, zoekt de jongen hem op in de gevangenis en wil uitleg. De ene rover was door zijn vriendin,de meid, vermoord: hij was boos geweest dat zij de jongen geholpen had. Na de moord op haar vriend heeft de meid zich verhangen. De roverhoofdman heeft geen berouw.

Bron

G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 17 (1905), pp. 171-173 N°76

Commentaar

1901
vgl. CBAK0216
Andere Räubergeschichten

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20