Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BOEKV114 - Van den grooten en den kleinen dief.

Een sprookje (), maandag 06 januari 1902

Hoofdtekst

Van den grooten en den kleinen dief.

Als je in vroeger tijd wat uitgevoerd had dat niet bij rechtuit was, dan werdt je gegeeseld en gebrandmerkt. Dat is je bekend.
Zoo was er dan ook eens een kerel die wat misdaan had; zooveel van belang was het niet, maar hij werd toch gebrandmerkt.
Maar er was een andere kerel, die een heeleboel gestolen had (want het was een groote dief), maar die liep vrij rond, want hij was nog nooit gesnapt.
Toen hij hoorde dat de andere man gebrandmerkt zou worden, ging hij kijken, en toen de kerel losgelaten was, reed hij hem in een rijtuig achterna. Nou, dat duurde natuurlijk niet lang of hij had hem ingehaald, want door de erge pijn liep de ander zoo hard niet.
Nu was die groote dief een heele mijnheer. Toen hij den ander ingehaald had, liet hij stilhouden en zei: "Wel, man, hoe is je dat bevallen?" "Dat's me ook een vraag," zei die, "slecht natuurlijk." Of hij ook mee wou rijden? "Nou, as-je-blieft, natuurlijk." "Stap dan maar op," zei de ander. Toen raakten ze aan de praat en de heer zei eindelijk: "Ik begrijp niet dat je zoo'n beetje steelt, je moet net doen als ik. Ik steel een heelen hoop, en zorg dat de lui die ik besteel, zelf in de gevangenis komen." Hoe hij dat dan wel aanlegde? "Nou, ga jij maar mee en help me maar, dan zal-je het wel zien." Eerst had de ander er niet veel zin in, want hij was bang dat hij nog ers gegeeseld en gebrandmerkt zou worden, maar de heer zei: "Wat zal-je anders beginnen? Niemand wil een dief in dienst hebben." "Dat is waar," dacht de man en hij liet hem bepraten.
Zoo reden ze samen naar een voornaam logement. Daar bestelde de heer kamers en verteerden ze goed wat, en elke week betaalde de heer prompt, zoodat de kastelein mooi in zijn schik was. Toen ze nu een maand of twee drie daar geweest waren, zei de heer: "Nou moeten wij onzen slag slaan. De volgende week gaat de kastelein zijn geld wisselen." Zooals je weet, vroeger hadden ze allerlei slag van geld, dat je dan op een bepaalden tijd kon inwisselen. Toen alles 's nachts sliep, stonden de twee dieven op. De heer haalde den sleutel uit den kastelein zijn broekzak, ging naar het kabinet en haalde de zakken er een voor een uit. Hij telde ze na, schreef op hoeveel er in iederen zak was en lei er een papiertje in waarop stond dat het geld aan hem hoorde. Toen dat gedaan was, borg hij alles weer op, deed den sleutel in den kastelein zijn broek en ging te bed.
's Morgens zei hij tegen den kastelein dat hij den volgenden dag weg wou. Dat speet den kastelein, maar hij kon er natuurlijk niets aan doen. Toen ze in de volle gelagkamer zaten, zei hij: "Maar à propos, je moest me nou mijn geld maar alvast geven dat ik je in bewaring gegeven heb." De kastelein begreep er niks van en maakte er een grapje van. "Nee, nee," zei hij, "ik meen het; je hebt nog zoowat 8000 gulden van me, haal die effen." Nou, de kastelein deed het natuurlijk niet, maar toen werd de heer kwaad en liet het gerecht halen. Daarop vertelde hij dat hij zooveel zakken met dat en dat er in in bewaring had gegeven en of ze het huis maar eens wilden doorzoeken. Het geld werd natuurlijk gevonden en de kastelein ingepikt. Maar toen kreeg hij toch medelijden en met mooi praten en zoet zien kreeg hij nog gedaan dat de kastelein niet gestraft werd. Maar met de 8000 gulden ging hij er vandoor.

Beschrijving

Een man wordt voor een klein vergrijp gegeseld of gebrandmerkt. Als hij vrijkomt, wordt hij in het rijtuig van een grote dief uitgenodigd. De crimineel legt uit dat de man zijn diefstallen grootser moet aanpakken, zoals hijzelf altijd doet. Samen gaan ze daartoe naar een herberg. Ze verblijven er drie maanden, betalen steeds op tijd en nemen het er goed van. De nacht voordat de kastelein zijn geld naar de bank gaat brengen, opent de crimineel de kast waar de zakken met geld liggen. Hij telt het geld en stopt er briefjes in waarop staat dat hij de eigenaar is. De volgende ochtend kondigt de crimineel zijn vertrek aan en vraagt om zijn zakken met geld die hij in bewaring had gegeven. Als de kastelein weigert, wordt de politie erbij gehaald. De dief dient uiteindelijk geen aanklacht tegen de kastelein in, maar kan er wel met een grote som geld vandoor gaan.

Bron

G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 18 (1906), pp. 72-73 N°88

Commentaar

[6 januari 1902 in brief van 25 april] 1902
vgl. CBAK0324

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20