Hoofdtekst
Van een roover en een paardenkooper.
Een paardenkooper reisde naar alle markten. Dan had hij altijd een groote som geld bij zich in leeren riemen. Zoo ging hij ook weer eens 's avonds naar een groote stad met veel geld bij hem. Voordat hij het bosch inging dat hij door moest, ging hij bij de kastelein eventjes opsteken. Die zei: "Ben-je niet bang?" "Wel nee," zei hij, "ten eerste heb ik een scherpe dolk bij me en ten tweede heb ik een nijdigen hond die me altijd zoo trouw volgt, dat hij me haast in me billen bijt." "Nou, ik deed het niet," zei de kastelein. Maar hij deed het toch.
Na een half uur komt hij iemand tegen. Dat was een persoon die het gesprek had afgeluisterd. Die begon met te lamenteeren dat hij verdwaald was en of hij zoo goed ging naar de stad en meer zulke foefjes. Nou hij wist zoo goed komedie te spelen dat de paardenkooper medelijden kreeg en zei: "Loop dan maar met mij mee." Toen ze zoowat over alles en nog wat gepraat hadden zei de vent: "Wat heb-je daar nou?" "Dat is een dolk," zei de ander. "Laat me ers kijken." De paardenkooper was zoo dom hem die te geven. Maar zóó als hij het gedaan had dacht hij: "O jé, nou ben ik schipper te voet, ik zal zien hem weerom te krijgen." Maar jawel; op eens zeit de kerel: "Dat ding is zeker wel scherp?" en hakt den hond zijn kop doormidden; en meteen zeit hij: "En geef nou je geld maar, want nou kun-je toch niks beginnen." De paardenkooper docht: "Ik ben toch lest (1)," en gaf het. Toen zei de roover: "Omdat je het nou zoo gewillig geeft, zal ik je je leven laten houden; maar aanstonds bij den hollen boom moet ik je rechterhand afhakken: dat doe ik altijd." Wat kon de ander er aan doen? Niets natuurlijk. Hij ging dus gewillig mee. Maar wat gebeurt? Op eens voelt hij in zijn rechter broekzak een scherp mes dat hij ook altijd bij hem had. Hij zeit dus tegen den roover: "Doe me nou een pleizier en hak me linker af, dan kan ik met me rechter me brood nog verdienen." Dat werd toegestaan. Zoo kwamen ze bij den hollen boom en toen zei hij: "Nou wou ik nog een verzoek doen: peuter nou as-je-blieft niet, maar sla in eens toe." "Nou, afijn dan, omdat jij het bent," zei de roover. In dien tijd had hij met zijn rechterhand het mes opengemaakt en toen de roover allebei de armen oplichtte om hem zijn hand af te slaan, gaf hij hem een fermen por in zijn zij. De stoot was goed raak ook, want de roover was dadelijk dood. Toen nam hij zijn dolk en zijn geld weerom, maar zijn hond was hij kwijt natuurlijk. Nou, hij gaf het aan en er ging dadelijk politie naar den hollen boom en toen bleek dat het een gevaarlijke roover was.
1. trek aan het kortste eind
Een paardenkooper reisde naar alle markten. Dan had hij altijd een groote som geld bij zich in leeren riemen. Zoo ging hij ook weer eens 's avonds naar een groote stad met veel geld bij hem. Voordat hij het bosch inging dat hij door moest, ging hij bij de kastelein eventjes opsteken. Die zei: "Ben-je niet bang?" "Wel nee," zei hij, "ten eerste heb ik een scherpe dolk bij me en ten tweede heb ik een nijdigen hond die me altijd zoo trouw volgt, dat hij me haast in me billen bijt." "Nou, ik deed het niet," zei de kastelein. Maar hij deed het toch.
Na een half uur komt hij iemand tegen. Dat was een persoon die het gesprek had afgeluisterd. Die begon met te lamenteeren dat hij verdwaald was en of hij zoo goed ging naar de stad en meer zulke foefjes. Nou hij wist zoo goed komedie te spelen dat de paardenkooper medelijden kreeg en zei: "Loop dan maar met mij mee." Toen ze zoowat over alles en nog wat gepraat hadden zei de vent: "Wat heb-je daar nou?" "Dat is een dolk," zei de ander. "Laat me ers kijken." De paardenkooper was zoo dom hem die te geven. Maar zóó als hij het gedaan had dacht hij: "O jé, nou ben ik schipper te voet, ik zal zien hem weerom te krijgen." Maar jawel; op eens zeit de kerel: "Dat ding is zeker wel scherp?" en hakt den hond zijn kop doormidden; en meteen zeit hij: "En geef nou je geld maar, want nou kun-je toch niks beginnen." De paardenkooper docht: "Ik ben toch lest (1)," en gaf het. Toen zei de roover: "Omdat je het nou zoo gewillig geeft, zal ik je je leven laten houden; maar aanstonds bij den hollen boom moet ik je rechterhand afhakken: dat doe ik altijd." Wat kon de ander er aan doen? Niets natuurlijk. Hij ging dus gewillig mee. Maar wat gebeurt? Op eens voelt hij in zijn rechter broekzak een scherp mes dat hij ook altijd bij hem had. Hij zeit dus tegen den roover: "Doe me nou een pleizier en hak me linker af, dan kan ik met me rechter me brood nog verdienen." Dat werd toegestaan. Zoo kwamen ze bij den hollen boom en toen zei hij: "Nou wou ik nog een verzoek doen: peuter nou as-je-blieft niet, maar sla in eens toe." "Nou, afijn dan, omdat jij het bent," zei de roover. In dien tijd had hij met zijn rechterhand het mes opengemaakt en toen de roover allebei de armen oplichtte om hem zijn hand af te slaan, gaf hij hem een fermen por in zijn zij. De stoot was goed raak ook, want de roover was dadelijk dood. Toen nam hij zijn dolk en zijn geld weerom, maar zijn hond was hij kwijt natuurlijk. Nou, hij gaf het aan en er ging dadelijk politie naar den hollen boom en toen bleek dat het een gevaarlijke roover was.
1. trek aan het kortste eind
Onderwerp
AT 1527A - Robber Induced to Waste his Ammunition   
ATU 1527A - The Robber Disarmed   
Beschrijving
Een paardenkoopman reist met veel geld in leren riemen alle markten af. Voordat hij door een bos moet, maakt hij nog een praatje met de kastelein van een herberg. De koopman verklaart niet bang te zijn, want hij heeft een scherpe dolk en een felle hond bij zich. In het bos ontmoet de koopman iemand, die doet of hij verdwaald is, maar die in werkelijkheid een rover is die het gesprek in de herberg had afgeluisterd. De rover wint het vertrouwen van de koopman en mag diens dolk bekijken. Dan klieft de rover de kop van de hond met de dolk. De koopman moet zijn geld afstaan. Omdat de koopman zo goed meewerkt, wil de rover hem laten leven: bij de holle boom zal hij alleen de koopman zijn rechterhand afhakken. In zijn rechter broekzak pakt de koopman een mes, en vraagt of de rover hem de linkerhand wil afhakken. Maar voordat de rover dit kan doen, steekt de koopman hem dood. De politie wordt erbij gehaald: het bleek om een gevaarlijke rover te gaan.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 18 (1906), pp. 95-96 N°93
Commentaar
[2 oktober] 1901
vgl. CBAK0227
Robber Induced to Waste his Ammunition
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
