Hoofdtekst
Van den soldaat toovenaar
HOE DAT EEN SOLDAAT, ONDER DEKZEL VAN TOVERY, AEN EEN GOEDE SLEMP RAAKTE
Philips de tweede, Konink van Spanjen, dede eenigh krijgsvolk in zijn landt werven, onder andere mede te Granaden, een vermaarde stadt aldaar. Het krijgsvolk dat in deze stadt gelicht wierd, werden zoo hier en daar in de borgers huysen gebiljetteert, om een nacht twee of drie te herbergen, tot datze te velde zouden gaan. Onder dese aengenomen soldaten was een Ionghman, die braaf van gestalte, aangenaem van wezen, en op veel potzen afgeregt was, gelijk men door 't vervolg zal hooren. Dese had, gelijk als d'andere, mede een biljet of seeltje, om te gaan verna chten by een borger in dese stadt. Het was alreede laat en bykans tijt om het avontmael te houden, als hy aan de deur klopte, daar zijn biljet in hield te gaen slapen. Een dienstmaagt dede de deur open, en vraagde wat hy begeerde. Hij antwoorde, dat hy daar vernachten most, door des Konings last, die hy toonde. De maagt riep haar Iuffrou, die beneden komende, en 't verzoeck des soldaats verstaande, zocht haar hier van te ontslaan, zeggende, datze een jonge vrouw, en nieulijk getrouwt was, haar man uyt de stadt zijnde, en zy met een maagt maer alleen in huys, en mocht overzulks geen manvolk innemen. De soldaat en liet hem hier niet mede paayen en zeyde, dat 'et hem leet was, dat hy haar most belasten, maar het was voor die tijt te laat om andere herberg te zoeken, en zijn makkers waren alle hier en daer geherbergt, hy en konde op de straat niet blijven, zy zouden hem maar leggen, daar 't haar beliefde, hy zou haar zo weynigh ongemak aen doen, als 't mogelijk was, biddende, dat zy met goetwilligheyd wilden toestaan, 't geen anders met rechtdwank toch geschieden most. Dit quelde de Juffrouw dapper, dochze zagh wel datze daer aen most, liever met goetheyt dan met gewelt, hoe wel dat dit den aenslagh, diese voor had, wel zou konnen verbrodden. Zy gaf haar maagt last, datze hem zou in laten, en wijsen hem op de solder te slapen.
De Landsknecht in komende, zey: "Mejuffrouw, ick en heb sedert dezen morgen niet gegeten, niet dat ick wil zeggen, dat gy gehouden zyt, my kost te verzorgen, ik en begeer die ook niet van u voor niet met allen, want de Koning moet ons die onkosten weder geven, maar overmits dat het nu zo laet is, dat ick geen spijse meer te koop zou konnen vinden (want in de spaansche steden en vint men zo geen kookbraderijen, als in Vrankrijk), doe my dan de vriendtschap, en geef my yets te eeten, ick zal 't u betalen."
"Hoe, meent gy dan, dat ik herberg houde?" antwoorde de Iuffrouw, "wilt gy gaan slapen, dat kond ghy doen, maar spijse en heb ik tegenwoordigh voor u niet over."
Hy wel ziende, dat hier geen kansen was om yet te bekomen, en uytgaande alzo weynigh, en vreezende, datmen oock t' zijner wederkomst de deur wel zou mogen gesloten houden, dacht dat 't beter was, zonder eeten te gaan slapen, 't welk hy dede. Men wees hem op een oude zolder die vol rommeling stont, en daar een slechte legerstee was. Hier mede was hy genoodsaakt hem te behelpen, want boven dien, dat de soldaten in Spanjen de luyden zo niet derven persen, gelijkze wel in Vrankrijk doen, zo mogenze veel minder in de groote steden de pijpen stellen, alsze in de dorpen doen, daarze meester zijn, en de macht by haar hebben. Deze landsknecht die den honger vast quelde, en ook niet wel gelegen was, had geen groote vaack, hy keerde hem vast van d'eene zijde op d'ander, zonder een oogh te konnen toe houden. Ontrent een uur gelegen hebbende, en d'oogen hier en daar heen wende, zag licht door een spleet van de solder van beneden door schijnen, hy was nieuwsgierig om eens te loeren, watmen dede, daar dit licht van daan quam. Hij rees zo ongekleed op, leyde sich plat neer, en zach door deze spleet in een welgestelde kamer, daar een groot vyer lach en brande, waar voor de maagt twee speten omwende, die met lekker wildbraad verzien waren, en de Iuffrouw daar tegen hy gesproken had, zat daar by, ontvlochten in d'armen van een jongen Advocaat, of, die ten minsten, zulken een, door zijn ring en lange tabbaerd, scheen te wezen.
"Hoe!" zey de Landsknecht by hem zelf, "is dit de Iuffrouw, die swarigheyd maakt, om manvolck in 't afwezen van haar eygen man, in huys te nemen?" maar overdenkende op beter gelegentheyd te vinden om te spreken, sweegh hy stil, maar dapper verhongert zijnde, zagh hy met een groote begeerte 't wildbraad vast braden, daar hy met d'oogen at van af, en most zijn geduld geweldigh oeffenen, in 't bereyden van deze maaltijd aen te zien, daar hy hem noch niet van toeleyde yets te bekomen, dan de reuk en lucht van 't gebraad, die hy door zijn neus vast in snoof. Hy zag de tafel dekken, flesschen met wijn aenbrengen, diemen (gelijck het des zomers aldaar de gewoonte is), in sneeuw te verkoelen zette, en voorts de spijse op de tafel brengen. Mits dat zy doende waren met d'handen te wasschen, wort 'er buyten aen de deur geklopt, de maegt stak 't hooft te vensteren uyt, er vragende wie daar was, wierd aen de stem gewaar dat 'et haar meester, de Iuffrouws man was, die men noch in geen twee dagen verwacht had t'huys te komen.
De dienstmaagt, heel verbaast zey tegen haar Iuffrouw: "Och, Mejuffer! 't is hier verbrod, want uw man staat voor de deur."
De Iuffrouw geheel ontstelt, en wist niet hoeze het aen zou leggen, want haar lief ergens te verbergen, was niet wel doenlijk, want daar en was behalven deze kamer niet anders, dan een klein vertrekjen, daar de meyd sliep, dit was aen de zijde van de kamer, alwaar niemand zonder gezien te worden, konde uyt of in gaan, dewijlmen door de groote kamer heen most gaan, op de zolder kondemen hem ook niet versteken, dewijl de soldaat daar lag, want het al te gevaarlijk was, dit stuk aan een vreemdeling t'ondekken, en haar geheym een dieze niet kende, toe te vertrouwen, die haar daar door, over de gantsche stadt zou konnen onteeren: om haar liefste beneden te laten uytgaan, was 'er oock geen kans, want 'er maar een trap was, daar op den man ingelaten zijnde, most naar boven gaan, en overmits den man riep, datmen hem toch niet langer zou laten buyten staan, so en kanmen alle bequaamheyt niet recht overdencken, al het gene datze dan met der haast doen konden, dat was, hem achter de ledekant te verbergen, openende voorts een groote spijskas, dicht by de ledekant, waar in zy al de kost dede setten, met schotelen, teljoren, servetten, wijn, vruchten, en al dat 'er was, zo alsmen het in haast van de tafel afrukte, die met de tapijt straks weder overspreyd wordt, en de Iuffrouw zet zich by 't vuur: ondertusschen klopte den man, die buyten stond, geweldigh hard aan, en riep datmen hem zou in laten, 't welk ten lesten geschiede, hy treed in, en gaat na boven, aldaar vind hy zijn vrouw by 't vuur zitten, die hem omhelzende, zeyde: "Och mijn lieve helft, hoe zeer ben ik verblijd, dat ik u al wederom sie, ick en had u zoo haast noch niet verwacht."
"Liefste," zey hy, "dewijl ik mijn zaken eer heb afgedaan, dan ik meynde, ben ik met volle ren weerom gekomen, zo zeer haakte ik, om u te zien, ik heb van desen dag, wel tien mijlen gereyst, alzo ick enkel begeerde hier te zijn, om niet in die mottige kroegen, onderwegen te vernachten, daermen zeer slecht onthaalt is; maar wat beduyt," vraagde hy, "dit groote vuur?"
"Och mijn lief," antwoorde zy, "ik heb dat doen aenleggen, om linnen doeken daar by te warmen, diemen op mijn buyk heeft gelegd, om de groote pijn die ik daar in hadde, te verzachten; deze pijn, geloof ick, is gekomen door d'onsteltenis, die my door een soldaat aengedaan wiert, die tegen mijn danck hier te nacht herbergen most, zeggende, dat 'et des Konincks bevel was, dit heeft my zo dapper verdrooten, dat ik most lijden, dat hier, in uw afwezen, een man vernachte, dat 'et my, zo ik geloove, deze pijn heeft aangejaagt."
De soldaat dit alles ziende en hoorende, achte, dat 'et nu tijt was (alzomen van hem sprack), voor den dagh te komen, hy kleede hem haestelijck, en lette ondertusschen naerstigh op al 't gene dat 'er omgingh.
De man zey: "Liefste, 't is hiermede niet genoegh, ik heb in lange tijt niet gegeten, en ben schier flauw van honger, hebt gy niet te bikken?"
"Och mijn heer," antwoorde de vrouw, "wat zou ik hebben? Ik en had u niet verwacht, meynd gy, dat ik, als ghy van huys zijt, de gewoonlijcke maaltijd houde? Ik behelp my met een gebraden appelken, of zo yet, en mijn dienstmaagt van gelijken."
"Zo moet ick dan," zey den man, "zonder eeten gaan slapen? Want het tegenwoordigh te laat is, om yets te konnen bekomen."
Dit zeggende, klopte de soldaat (die met der haest gekleed en beneden gekomen was) aen de kamerdeur, die open gedaan word, hy groete den man beleefdelijck, en verzocht, dat hy hem wilde ontschuldigh houden, indien hy eenige ongelegentheydt zijn vrouw, (die hem niet herbergen wilde,) had aangedaan, en dat hy door last des Koninks aldaar bescheyden was, waar van hy 't biljet aen hem tot zijn verschoning vertoonde.
"Evenwel, mijn heer," zey hy, "en kan uw vrouw haar over my niet beklagen, van dat ick haar een quaad woord toegesproken heb."
"Zulks en zegh ick ook niet," zey de Iuffrouw.
"Mijn heer," vervolgde de Landsknecht, "gy noch ik en hebben van avond noch niet gegeten, indien het u behaegt, ik zal ons al te samen een goed maal doen schaffen."
"Hoe waar dat mogelijk," zey de man, "dewijl het onmogelijk is, tegenwoordig in de stadt yet te bekomen?"
"En maakt 'er geen swarigheid in," antwoorde de soldaat, "'t en zal niet langh duren, of 't avondmaal zal al bereydt zijn; ick zal rondt uyt met u spreken, dewijl dat my dunkt dat ik hier zeker ben, en dat ghy mijn by d'lnquisiti niet zult aenklagen, dat ick een swart konstenaer ben, en de nikkers dwingen kan, als 't my wel gevalt, ey laet my begaen, en gy zult zien, dat ick in den hel, (daermen de spijze, ten minsten alzo wel als in dit land weet toe te stellen) noch gelooft ben."
Hier mede greep hy een rijsjen uyt een takbos, 't welk hem diende voor een toover roede, haelde een ronde ring om hem heen, en dewijl hy zeer doorslepen en recht op zulke potzen afgevaerdight was, preutelde eenige vreemde woorden, zoo hy die best bedencken konde, dewelke hy zelf, alzo weynig, als de bystaenders verstaen kon: om nu een weynig meer schijns aan deze klucht te geven, na dat hy veel fratzen en grillen vertoont had, riep met bekende woorden luydkeels uyt: "lck ghebiede u, dat ghy datelijck voor mijn Heer, me Iuffrouw, en my, een goet avontmael hier laet koomen, maer let daer vry op, dat gy ons wat goets brengt. Wat begeert ghy te eeten," vraagde hy aen den Huys waard, die al heel verbaest antwoorde: "Al wat u belieft, mijn Heer, doet dan", riep de landsknecht: "Van stonden aen hier komen, een Kapoen met groene kruyden gestooft, ook eenen gebraden, met een koppel Patrijzen, een jong Haasjen, en twee Sneppen."
Dit was de kost, die hy by het vuur had zien bereyden en wel in acht genomen.
"Is het hier mede genoegh?" vraeghde hy aen den Huys waard.
"Ja, mijn Heer," antwoorde hy, "'t is driemaal meer als 'er van nooden is. Waer wilt ghy met al de kost heen?"
"Wel," zey de landsknecht, "brengh ons dan noch een dozijn Leeuwerken, om de tanden mede te stooken. Boven dit alles, verkoel onse wijn met sneeuw, maekt ook dat 'et banket en de confituren naar behooren zijn, maer draeght vooral sorge dat de spijze wel gaar zy, en wacht u wel, wie ghy oock mooght zijn, om u hier zichtbaer te vertonen, of deze Iuffrou eenige schrik aen te jagen, ick wil, dat alles dat ik van u geeyscht heb, in deze spijskas tegenwoordig al gereed staat. Mijn Heer," zey hy, "laet hem openen; want ik ben verzeekert, dat gy al 'tgeen dat ik belast heb, daerin vinden, en gewaer worden zult, dat mijn bevelen in alles zullen na gekomen zijn."
De Iuffrou zagh wel dat alles ontdekt was, en dat'et te vergeefs zou zijn, indienze 't openen van de spijs kas wilde beletten, en des soldaets gauwigheydt in haerzelven prijzende, opende de spijs kas, waer in men al 't geen de landsknecht ge-eyscht had, van stukje tot beetje, noch warm, en vaerdig om t'eeten bevond; daer over den Huys waard zoo verbaest en verwondert was, dat hy niet wist, wat hy zou denken of zeggen. De Iuffrou speelde de verwonderde alzoo wel als haer man, en zonder twijffel had zy hier toe oock reden, doch heel op een ander manier als haar man. De soldaet, die vast 't heerschap speelde, als een, diemen gelooft, de gasten op zijn eygen kosten onthaelt, geboodt datmen de Tafel zou dekken, en kost opdisschen, terwijl die noch warm was, en om dat hy onlijdelijcken honger had, rukte een bout van een Kapoen af, beet daer een groot stuk van, zeggende tot den Huys waard, dat'et heel goet was, hy zoude mede maer eens proeven. Den Huys waard en konde niet wel daer toe verstaen, om van zulcken spijze te eeten, die, (zo hy meynde) uyt zulken vreemden plaets quamen. De Iuffrouw haer heel vies houdende, zey, zy zoude haer wel wachten om van dit eeten te proeven. De soldaet zey, dat zy niet quaets daer in vinden zou, men zou slechts onbevreest eeten, en 't zelve, zonder twijffel goet bevinden. Hy doet water brengen en d'handen wasschen, maakt de manier van bidden, laet den Huys waard met zijn vrou neder zitten, en voeght hemzelven daer by: hy neemt voorts een lepel, en proeft de pot-spijze, zegt datze zeer goet is, en noodig den Huys waard, om die mede te proeven, die daer niet wel toekomen dorst, maer eyndelijck die zelve proevende en goet vindende, doet bykans met geweld zijn vrouw die mede eten, die, hoewelze niet lievers en zocht, haer evenwel liet noodigen, maer d'een en d'ander maektender op 't lest weynigh swaricheydt in, maer onze snaak, die bykans van honger doodt was, haalde zijn schade wel dobbeld in, en at wel zoo veel als vier andere zouden hebben gedaen. Den Huys waard wierdt in 't eynd gedwongen, de kost en de sauzen te prijzen, en bekende dat'er alzo goede Koks in de hel als in Granade waren, zy bevonden den wijn heel lekker, en uytnemende koel, en de vruchten zeer smakelijk, sodat den Huys waard bekennen most, dat hy in langen tijdt zo wel niet onthaelt was geweest. Het avondmael gedaen zijnde, begon de soldaet medelijden met den armen Advocaet te krijgen, die achter 't ledekant staende, met groote benautheydt, zijn goed zag op eten, zonder zijn deel daer van te krijgen, hoewel hy bykans van honger storf, om hem dan in zekerheydt te doen vertrekken, daer hy meer mede bekommert was, dan 't verlies van zijn avondmael, bedacht de soldaet een geestige trek.
"Nu zult gy," zeyde hy tegen den Huys waard, "u niet beklagen, zoo ik geloove, dat gy u bekomst niet gekregen en hebt."
"Neen ick voorzeker," antwoorde den Huys waard, al vry wat geruster zijnde dan te vooren.
"'t Is hier mede noch niet gedaen," zey de soldaet, "maer ick zal u die gene doen zien, die ons de spijze en drank gebrocht heeft."
"Ey lieve niet," zey de Iuffrou al bevende, van vreeze, op dat toch niet ontdekt zou worden, 'tgene zy zoo zeer trachte te verbergen; maer hy dit merkende, zeyde: "Neen, me Iuffrou, zijt niet bevreest, 'tzy verre van my, dat ik u eenige onlust zou aendoen, want ick ben'er al te redelijk toe, om de Iuffrouwen te mishagen, betrouw u vry op mijn."
De man was in dit gesicht alzo bevreest als de vrouwe, maer de oorzaek der vreeze van d'een en d'ander scheelde zeer veel.
"Neen, neen mijn Heer," zey de soldaet, "ghy en zult niet zien, dat u zal doen verschricken. Zijt slechts wel gemoed. Me Iuffrou," vervolgde hy, "doet alle deuren en vensteren openen zoo wel, die alhier, als aen de straet zijn, op dat hy, wanneer ick hem gebiede uyt te gaen, niet alles en vermorsele."
De Iuffrouw begon te verstaen, wat de soldaet in den zin had.
"Gaet," zey zy tot haer maeght, "en opent de deuren van deze kamer, en aen de straet mede," 't welk gedaen zijnde, rees de landsknecht van zijn stoel over end, seggende met een hoogdravende stem: "Ghy die hier tegenwoordigh zijt, en ons zo wel getoeft hebt; ja alles hoort en ziet, wat hier omgaet, vertreckt terstont van hier, en dat door de geopende deuren, op dat ghy niets en breeckt, vertoon u zichtbaer aen dit gezelschap, doch niet in uw eygen gedaente, door dien ghy deze Iuffrou van schrick zout doen sterven, aengaende mijn Heer, haer man, die en zou zo licht niet vervaert zijn. In wat gedaente, mijn heer," vraegde de landsknecht, "wilt gy, dat hy verschijnen zal?"
"In alzulck een, als 't u belieft," antwoorde hy voort daer op, zoo zeer verlangde hy, om dezen geest quijt te zijn.
"Verschijn dan," riep de soldaet, "in de gedaente eens Advocaets."
d'Advocaat, ziende dat de gelegenheyt gunstigh was, om deur te gaen, daer hy lang na gewenscht had, trok den hoed diep over t' hooft, om niet aen den man bekent te worden, en sloop zo behendig als 't mogelijk was door de kamer heen de trappen af, en quam op straet. De Huys waard hem ziende, meende van angst te bezwijken, de Iuffrouw, om te beter haer rol te speelen, hield haer als ofze van vrees in swijm lagh, men ontkleedeze in't bedde, daer sich de man benevens leyde, de landsknecht ging oock na zijn rust plaets, met meer lust tot slapen, dan hy te vooren gehad hadde. Den man en konde niet een oog toe doen, gestadig malende op de vreemde dingen, die hy meende gezien te hebben, dewelcke hy vast met zijn vrouwe overleyde, die haer alzoo vreemd daer van hield als hy. Des morgens vroegh quam de soldaet zijn afscheyd van zijn Waerd en Waerdin nemen, die hy voor alles goets hertelijck bedanckte: uyt den huys gegaen zijnde, belaagde hy de tijdt dat den man uytgingh, snapte daer wederom in, en vond de Iuffrou noch op 't bedde die hy groete, doch zy wilde van schaemte haer voor hem verbergen.
"Hoe, me Iuffrouw," zeyde hy, "waerom misgunt ghy my d'eer van uw gezicht? Heb ick u ergens in misdaen?"
"Neen, mijn vriend," antwoorde zy, "maar in tegendeel ben ik zoo zeer in u verbonden, dat ick beschaemt ben, om voor u te verschijnen."
Deze gedienstigheden eyndigden eindelijck in kussen en omhelzen, liefkoozen en streelen, zoo verre als den landsknecht, of yemand van de leezers zou konnen begeeren, 't welck deze Iuffrou, hem niet en derfde noch konde weygeren, ten aenzien van de uytnemende dienst, die hy haer gedaen had, als oock om dat hy een jongman was, die deze vriendtschap, door zijn geestige treck, alzo wel als den Advocaet, verdiende. En den gehorenden Huys waard quam zoo veel van 't een, als van 't ander te weten.
HOE DAT EEN SOLDAAT, ONDER DEKZEL VAN TOVERY, AEN EEN GOEDE SLEMP RAAKTE
Philips de tweede, Konink van Spanjen, dede eenigh krijgsvolk in zijn landt werven, onder andere mede te Granaden, een vermaarde stadt aldaar. Het krijgsvolk dat in deze stadt gelicht wierd, werden zoo hier en daar in de borgers huysen gebiljetteert, om een nacht twee of drie te herbergen, tot datze te velde zouden gaan. Onder dese aengenomen soldaten was een Ionghman, die braaf van gestalte, aangenaem van wezen, en op veel potzen afgeregt was, gelijk men door 't vervolg zal hooren. Dese had, gelijk als d'andere, mede een biljet of seeltje, om te gaan verna chten by een borger in dese stadt. Het was alreede laat en bykans tijt om het avontmael te houden, als hy aan de deur klopte, daar zijn biljet in hield te gaen slapen. Een dienstmaagt dede de deur open, en vraagde wat hy begeerde. Hij antwoorde, dat hy daar vernachten most, door des Konings last, die hy toonde. De maagt riep haar Iuffrou, die beneden komende, en 't verzoeck des soldaats verstaande, zocht haar hier van te ontslaan, zeggende, datze een jonge vrouw, en nieulijk getrouwt was, haar man uyt de stadt zijnde, en zy met een maagt maer alleen in huys, en mocht overzulks geen manvolk innemen. De soldaat en liet hem hier niet mede paayen en zeyde, dat 'et hem leet was, dat hy haar most belasten, maar het was voor die tijt te laat om andere herberg te zoeken, en zijn makkers waren alle hier en daer geherbergt, hy en konde op de straat niet blijven, zy zouden hem maar leggen, daar 't haar beliefde, hy zou haar zo weynigh ongemak aen doen, als 't mogelijk was, biddende, dat zy met goetwilligheyd wilden toestaan, 't geen anders met rechtdwank toch geschieden most. Dit quelde de Juffrouw dapper, dochze zagh wel datze daer aen most, liever met goetheyt dan met gewelt, hoe wel dat dit den aenslagh, diese voor had, wel zou konnen verbrodden. Zy gaf haar maagt last, datze hem zou in laten, en wijsen hem op de solder te slapen.
De Landsknecht in komende, zey: "Mejuffrouw, ick en heb sedert dezen morgen niet gegeten, niet dat ick wil zeggen, dat gy gehouden zyt, my kost te verzorgen, ik en begeer die ook niet van u voor niet met allen, want de Koning moet ons die onkosten weder geven, maar overmits dat het nu zo laet is, dat ick geen spijse meer te koop zou konnen vinden (want in de spaansche steden en vint men zo geen kookbraderijen, als in Vrankrijk), doe my dan de vriendtschap, en geef my yets te eeten, ick zal 't u betalen."
"Hoe, meent gy dan, dat ik herberg houde?" antwoorde de Iuffrouw, "wilt gy gaan slapen, dat kond ghy doen, maar spijse en heb ik tegenwoordigh voor u niet over."
Hy wel ziende, dat hier geen kansen was om yet te bekomen, en uytgaande alzo weynigh, en vreezende, datmen oock t' zijner wederkomst de deur wel zou mogen gesloten houden, dacht dat 't beter was, zonder eeten te gaan slapen, 't welk hy dede. Men wees hem op een oude zolder die vol rommeling stont, en daar een slechte legerstee was. Hier mede was hy genoodsaakt hem te behelpen, want boven dien, dat de soldaten in Spanjen de luyden zo niet derven persen, gelijkze wel in Vrankrijk doen, zo mogenze veel minder in de groote steden de pijpen stellen, alsze in de dorpen doen, daarze meester zijn, en de macht by haar hebben. Deze landsknecht die den honger vast quelde, en ook niet wel gelegen was, had geen groote vaack, hy keerde hem vast van d'eene zijde op d'ander, zonder een oogh te konnen toe houden. Ontrent een uur gelegen hebbende, en d'oogen hier en daar heen wende, zag licht door een spleet van de solder van beneden door schijnen, hy was nieuwsgierig om eens te loeren, watmen dede, daar dit licht van daan quam. Hij rees zo ongekleed op, leyde sich plat neer, en zach door deze spleet in een welgestelde kamer, daar een groot vyer lach en brande, waar voor de maagt twee speten omwende, die met lekker wildbraad verzien waren, en de Iuffrouw daar tegen hy gesproken had, zat daar by, ontvlochten in d'armen van een jongen Advocaat, of, die ten minsten, zulken een, door zijn ring en lange tabbaerd, scheen te wezen.
"Hoe!" zey de Landsknecht by hem zelf, "is dit de Iuffrouw, die swarigheyd maakt, om manvolck in 't afwezen van haar eygen man, in huys te nemen?" maar overdenkende op beter gelegentheyd te vinden om te spreken, sweegh hy stil, maar dapper verhongert zijnde, zagh hy met een groote begeerte 't wildbraad vast braden, daar hy met d'oogen at van af, en most zijn geduld geweldigh oeffenen, in 't bereyden van deze maaltijd aen te zien, daar hy hem noch niet van toeleyde yets te bekomen, dan de reuk en lucht van 't gebraad, die hy door zijn neus vast in snoof. Hy zag de tafel dekken, flesschen met wijn aenbrengen, diemen (gelijck het des zomers aldaar de gewoonte is), in sneeuw te verkoelen zette, en voorts de spijse op de tafel brengen. Mits dat zy doende waren met d'handen te wasschen, wort 'er buyten aen de deur geklopt, de maegt stak 't hooft te vensteren uyt, er vragende wie daar was, wierd aen de stem gewaar dat 'et haar meester, de Iuffrouws man was, die men noch in geen twee dagen verwacht had t'huys te komen.
De dienstmaagt, heel verbaast zey tegen haar Iuffrouw: "Och, Mejuffer! 't is hier verbrod, want uw man staat voor de deur."
De Iuffrouw geheel ontstelt, en wist niet hoeze het aen zou leggen, want haar lief ergens te verbergen, was niet wel doenlijk, want daar en was behalven deze kamer niet anders, dan een klein vertrekjen, daar de meyd sliep, dit was aen de zijde van de kamer, alwaar niemand zonder gezien te worden, konde uyt of in gaan, dewijlmen door de groote kamer heen most gaan, op de zolder kondemen hem ook niet versteken, dewijl de soldaat daar lag, want het al te gevaarlijk was, dit stuk aan een vreemdeling t'ondekken, en haar geheym een dieze niet kende, toe te vertrouwen, die haar daar door, over de gantsche stadt zou konnen onteeren: om haar liefste beneden te laten uytgaan, was 'er oock geen kans, want 'er maar een trap was, daar op den man ingelaten zijnde, most naar boven gaan, en overmits den man riep, datmen hem toch niet langer zou laten buyten staan, so en kanmen alle bequaamheyt niet recht overdencken, al het gene datze dan met der haast doen konden, dat was, hem achter de ledekant te verbergen, openende voorts een groote spijskas, dicht by de ledekant, waar in zy al de kost dede setten, met schotelen, teljoren, servetten, wijn, vruchten, en al dat 'er was, zo alsmen het in haast van de tafel afrukte, die met de tapijt straks weder overspreyd wordt, en de Iuffrouw zet zich by 't vuur: ondertusschen klopte den man, die buyten stond, geweldigh hard aan, en riep datmen hem zou in laten, 't welk ten lesten geschiede, hy treed in, en gaat na boven, aldaar vind hy zijn vrouw by 't vuur zitten, die hem omhelzende, zeyde: "Och mijn lieve helft, hoe zeer ben ik verblijd, dat ik u al wederom sie, ick en had u zoo haast noch niet verwacht."
"Liefste," zey hy, "dewijl ik mijn zaken eer heb afgedaan, dan ik meynde, ben ik met volle ren weerom gekomen, zo zeer haakte ik, om u te zien, ik heb van desen dag, wel tien mijlen gereyst, alzo ick enkel begeerde hier te zijn, om niet in die mottige kroegen, onderwegen te vernachten, daermen zeer slecht onthaalt is; maar wat beduyt," vraagde hy, "dit groote vuur?"
"Och mijn lief," antwoorde zy, "ik heb dat doen aenleggen, om linnen doeken daar by te warmen, diemen op mijn buyk heeft gelegd, om de groote pijn die ik daar in hadde, te verzachten; deze pijn, geloof ick, is gekomen door d'onsteltenis, die my door een soldaat aengedaan wiert, die tegen mijn danck hier te nacht herbergen most, zeggende, dat 'et des Konincks bevel was, dit heeft my zo dapper verdrooten, dat ik most lijden, dat hier, in uw afwezen, een man vernachte, dat 'et my, zo ik geloove, deze pijn heeft aangejaagt."
De soldaat dit alles ziende en hoorende, achte, dat 'et nu tijt was (alzomen van hem sprack), voor den dagh te komen, hy kleede hem haestelijck, en lette ondertusschen naerstigh op al 't gene dat 'er omgingh.
De man zey: "Liefste, 't is hiermede niet genoegh, ik heb in lange tijt niet gegeten, en ben schier flauw van honger, hebt gy niet te bikken?"
"Och mijn heer," antwoorde de vrouw, "wat zou ik hebben? Ik en had u niet verwacht, meynd gy, dat ik, als ghy van huys zijt, de gewoonlijcke maaltijd houde? Ik behelp my met een gebraden appelken, of zo yet, en mijn dienstmaagt van gelijken."
"Zo moet ick dan," zey den man, "zonder eeten gaan slapen? Want het tegenwoordigh te laat is, om yets te konnen bekomen."
Dit zeggende, klopte de soldaat (die met der haest gekleed en beneden gekomen was) aen de kamerdeur, die open gedaan word, hy groete den man beleefdelijck, en verzocht, dat hy hem wilde ontschuldigh houden, indien hy eenige ongelegentheydt zijn vrouw, (die hem niet herbergen wilde,) had aangedaan, en dat hy door last des Koninks aldaar bescheyden was, waar van hy 't biljet aen hem tot zijn verschoning vertoonde.
"Evenwel, mijn heer," zey hy, "en kan uw vrouw haar over my niet beklagen, van dat ick haar een quaad woord toegesproken heb."
"Zulks en zegh ick ook niet," zey de Iuffrouw.
"Mijn heer," vervolgde de Landsknecht, "gy noch ik en hebben van avond noch niet gegeten, indien het u behaegt, ik zal ons al te samen een goed maal doen schaffen."
"Hoe waar dat mogelijk," zey de man, "dewijl het onmogelijk is, tegenwoordig in de stadt yet te bekomen?"
"En maakt 'er geen swarigheid in," antwoorde de soldaat, "'t en zal niet langh duren, of 't avondmaal zal al bereydt zijn; ick zal rondt uyt met u spreken, dewijl dat my dunkt dat ik hier zeker ben, en dat ghy mijn by d'lnquisiti niet zult aenklagen, dat ick een swart konstenaer ben, en de nikkers dwingen kan, als 't my wel gevalt, ey laet my begaen, en gy zult zien, dat ick in den hel, (daermen de spijze, ten minsten alzo wel als in dit land weet toe te stellen) noch gelooft ben."
Hier mede greep hy een rijsjen uyt een takbos, 't welk hem diende voor een toover roede, haelde een ronde ring om hem heen, en dewijl hy zeer doorslepen en recht op zulke potzen afgevaerdight was, preutelde eenige vreemde woorden, zoo hy die best bedencken konde, dewelke hy zelf, alzo weynig, als de bystaenders verstaen kon: om nu een weynig meer schijns aan deze klucht te geven, na dat hy veel fratzen en grillen vertoont had, riep met bekende woorden luydkeels uyt: "lck ghebiede u, dat ghy datelijck voor mijn Heer, me Iuffrouw, en my, een goet avontmael hier laet koomen, maer let daer vry op, dat gy ons wat goets brengt. Wat begeert ghy te eeten," vraagde hy aen den Huys waard, die al heel verbaest antwoorde: "Al wat u belieft, mijn Heer, doet dan", riep de landsknecht: "Van stonden aen hier komen, een Kapoen met groene kruyden gestooft, ook eenen gebraden, met een koppel Patrijzen, een jong Haasjen, en twee Sneppen."
Dit was de kost, die hy by het vuur had zien bereyden en wel in acht genomen.
"Is het hier mede genoegh?" vraeghde hy aen den Huys waard.
"Ja, mijn Heer," antwoorde hy, "'t is driemaal meer als 'er van nooden is. Waer wilt ghy met al de kost heen?"
"Wel," zey de landsknecht, "brengh ons dan noch een dozijn Leeuwerken, om de tanden mede te stooken. Boven dit alles, verkoel onse wijn met sneeuw, maekt ook dat 'et banket en de confituren naar behooren zijn, maer draeght vooral sorge dat de spijze wel gaar zy, en wacht u wel, wie ghy oock mooght zijn, om u hier zichtbaer te vertonen, of deze Iuffrou eenige schrik aen te jagen, ick wil, dat alles dat ik van u geeyscht heb, in deze spijskas tegenwoordig al gereed staat. Mijn Heer," zey hy, "laet hem openen; want ik ben verzeekert, dat gy al 'tgeen dat ik belast heb, daerin vinden, en gewaer worden zult, dat mijn bevelen in alles zullen na gekomen zijn."
De Iuffrou zagh wel dat alles ontdekt was, en dat'et te vergeefs zou zijn, indienze 't openen van de spijs kas wilde beletten, en des soldaets gauwigheydt in haerzelven prijzende, opende de spijs kas, waer in men al 't geen de landsknecht ge-eyscht had, van stukje tot beetje, noch warm, en vaerdig om t'eeten bevond; daer over den Huys waard zoo verbaest en verwondert was, dat hy niet wist, wat hy zou denken of zeggen. De Iuffrou speelde de verwonderde alzoo wel als haer man, en zonder twijffel had zy hier toe oock reden, doch heel op een ander manier als haar man. De soldaet, die vast 't heerschap speelde, als een, diemen gelooft, de gasten op zijn eygen kosten onthaelt, geboodt datmen de Tafel zou dekken, en kost opdisschen, terwijl die noch warm was, en om dat hy onlijdelijcken honger had, rukte een bout van een Kapoen af, beet daer een groot stuk van, zeggende tot den Huys waard, dat'et heel goet was, hy zoude mede maer eens proeven. Den Huys waard en konde niet wel daer toe verstaen, om van zulcken spijze te eeten, die, (zo hy meynde) uyt zulken vreemden plaets quamen. De Iuffrouw haer heel vies houdende, zey, zy zoude haer wel wachten om van dit eeten te proeven. De soldaet zey, dat zy niet quaets daer in vinden zou, men zou slechts onbevreest eeten, en 't zelve, zonder twijffel goet bevinden. Hy doet water brengen en d'handen wasschen, maakt de manier van bidden, laet den Huys waard met zijn vrou neder zitten, en voeght hemzelven daer by: hy neemt voorts een lepel, en proeft de pot-spijze, zegt datze zeer goet is, en noodig den Huys waard, om die mede te proeven, die daer niet wel toekomen dorst, maer eyndelijck die zelve proevende en goet vindende, doet bykans met geweld zijn vrouw die mede eten, die, hoewelze niet lievers en zocht, haer evenwel liet noodigen, maer d'een en d'ander maektender op 't lest weynigh swaricheydt in, maer onze snaak, die bykans van honger doodt was, haalde zijn schade wel dobbeld in, en at wel zoo veel als vier andere zouden hebben gedaen. Den Huys waard wierdt in 't eynd gedwongen, de kost en de sauzen te prijzen, en bekende dat'er alzo goede Koks in de hel als in Granade waren, zy bevonden den wijn heel lekker, en uytnemende koel, en de vruchten zeer smakelijk, sodat den Huys waard bekennen most, dat hy in langen tijdt zo wel niet onthaelt was geweest. Het avondmael gedaen zijnde, begon de soldaet medelijden met den armen Advocaet te krijgen, die achter 't ledekant staende, met groote benautheydt, zijn goed zag op eten, zonder zijn deel daer van te krijgen, hoewel hy bykans van honger storf, om hem dan in zekerheydt te doen vertrekken, daer hy meer mede bekommert was, dan 't verlies van zijn avondmael, bedacht de soldaet een geestige trek.
"Nu zult gy," zeyde hy tegen den Huys waard, "u niet beklagen, zoo ik geloove, dat gy u bekomst niet gekregen en hebt."
"Neen ick voorzeker," antwoorde den Huys waard, al vry wat geruster zijnde dan te vooren.
"'t Is hier mede noch niet gedaen," zey de soldaet, "maer ick zal u die gene doen zien, die ons de spijze en drank gebrocht heeft."
"Ey lieve niet," zey de Iuffrou al bevende, van vreeze, op dat toch niet ontdekt zou worden, 'tgene zy zoo zeer trachte te verbergen; maer hy dit merkende, zeyde: "Neen, me Iuffrou, zijt niet bevreest, 'tzy verre van my, dat ik u eenige onlust zou aendoen, want ick ben'er al te redelijk toe, om de Iuffrouwen te mishagen, betrouw u vry op mijn."
De man was in dit gesicht alzo bevreest als de vrouwe, maer de oorzaek der vreeze van d'een en d'ander scheelde zeer veel.
"Neen, neen mijn Heer," zey de soldaet, "ghy en zult niet zien, dat u zal doen verschricken. Zijt slechts wel gemoed. Me Iuffrou," vervolgde hy, "doet alle deuren en vensteren openen zoo wel, die alhier, als aen de straet zijn, op dat hy, wanneer ick hem gebiede uyt te gaen, niet alles en vermorsele."
De Iuffrouw begon te verstaen, wat de soldaet in den zin had.
"Gaet," zey zy tot haer maeght, "en opent de deuren van deze kamer, en aen de straet mede," 't welk gedaen zijnde, rees de landsknecht van zijn stoel over end, seggende met een hoogdravende stem: "Ghy die hier tegenwoordigh zijt, en ons zo wel getoeft hebt; ja alles hoort en ziet, wat hier omgaet, vertreckt terstont van hier, en dat door de geopende deuren, op dat ghy niets en breeckt, vertoon u zichtbaer aen dit gezelschap, doch niet in uw eygen gedaente, door dien ghy deze Iuffrou van schrick zout doen sterven, aengaende mijn Heer, haer man, die en zou zo licht niet vervaert zijn. In wat gedaente, mijn heer," vraegde de landsknecht, "wilt gy, dat hy verschijnen zal?"
"In alzulck een, als 't u belieft," antwoorde hy voort daer op, zoo zeer verlangde hy, om dezen geest quijt te zijn.
"Verschijn dan," riep de soldaet, "in de gedaente eens Advocaets."
d'Advocaat, ziende dat de gelegenheyt gunstigh was, om deur te gaen, daer hy lang na gewenscht had, trok den hoed diep over t' hooft, om niet aen den man bekent te worden, en sloop zo behendig als 't mogelijk was door de kamer heen de trappen af, en quam op straet. De Huys waard hem ziende, meende van angst te bezwijken, de Iuffrouw, om te beter haer rol te speelen, hield haer als ofze van vrees in swijm lagh, men ontkleedeze in't bedde, daer sich de man benevens leyde, de landsknecht ging oock na zijn rust plaets, met meer lust tot slapen, dan hy te vooren gehad hadde. Den man en konde niet een oog toe doen, gestadig malende op de vreemde dingen, die hy meende gezien te hebben, dewelcke hy vast met zijn vrouwe overleyde, die haer alzoo vreemd daer van hield als hy. Des morgens vroegh quam de soldaet zijn afscheyd van zijn Waerd en Waerdin nemen, die hy voor alles goets hertelijck bedanckte: uyt den huys gegaen zijnde, belaagde hy de tijdt dat den man uytgingh, snapte daer wederom in, en vond de Iuffrou noch op 't bedde die hy groete, doch zy wilde van schaemte haer voor hem verbergen.
"Hoe, me Iuffrouw," zeyde hy, "waerom misgunt ghy my d'eer van uw gezicht? Heb ick u ergens in misdaen?"
"Neen, mijn vriend," antwoorde zy, "maar in tegendeel ben ik zoo zeer in u verbonden, dat ick beschaemt ben, om voor u te verschijnen."
Deze gedienstigheden eyndigden eindelijck in kussen en omhelzen, liefkoozen en streelen, zoo verre als den landsknecht, of yemand van de leezers zou konnen begeeren, 't welck deze Iuffrou, hem niet en derfde noch konde weygeren, ten aenzien van de uytnemende dienst, die hy haer gedaen had, als oock om dat hy een jongman was, die deze vriendtschap, door zijn geestige treck, alzo wel als den Advocaet, verdiende. En den gehorenden Huys waard quam zoo veel van 't een, als van 't ander te weten.
Onderwerp
AT 1358C - Trickster Discovers Adultery: Food Goes to Husband Instead of Paramour   
ATU 1358C - Trickster Discovers Adultery: Food Goes to Husband Instead of Lover   
Beschrijving
Een soldaat, die bij een burgergezin te slapen wordt gestuurd, wordt met tegenzin op zolder geherbergd en ziet door een spleet in de vloer, dat beneden allerlei lekker eten wordt bereid voor een advocaat, de minnaar van de juffrouw. Dan komt plots haar man thuis en het eten en de minnaar worden verborgen. De soldaat heeft alles gezien, gaat naar beneden, raakt met de man aan de praat, beweert te kunnen toveren en tovert eten in de kast, dat hij met de huisman opeet. Dan laat hij hem de duivel, die dat eten bracht, zien en geeft zo de advocaat gelegenheid om te ontsnappen. Bij het afscheid de volgende morgen ligt de juffrouw nog te bed en kan de soldaat de toegang niet weigeren.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandsche sprookjes uit de XVIIde en het begin der XVIIIde eeuw' in: Volkskunde 20 (1909), 198-203 N°9
Commentaar
1654
Uit: De gaven van de Milde St. Marten bestaende in kluchten, koddereijen en andre Vermakelijkheden (Amsterdam, a° 1654), blz. 61-77.
Hetzelfde vertelsel werd later ook opgenomen in den bundel Nieuwe Snakeryen, Of vermakelyke Historien, zynde eene naukeurige byeenverzameling Van ontrent Tweehonderd Koddige vertellingen (Leyden, a° 1732), blz. 292-309, onder den titel: 't Onthael van den Tovenaer. In deze lezing is de loop van het verhaal tot in bijzonderbeden dezelfde, doch de bewerker is in zijn stijl hier en daar wat wijdloopiger en hij wijzigt enkele onderdeelen naar den geest van zijn tijd.
De navolgende informatie is afkomstig van Annemieke Houben van de Liederenbank: het verhaal komt ook als liedje voor. De oudst bekende dateert uit 1717 en staat in <i>De Nieuwe vermeerderde Haagse Joncker, Of 't Amsterdamse Salet Juffertje</i>. Zie http://www.liederenbank.nl/liedpresentatie.php?zoek=117139&lan=nl . Een versie van het lied uit ca. 1815 is te vinden in <i>De grappige muyzeval waer in te vinden zijn de allerfraaiste en nieuwste liederen</i>, p. 38. Zie http://books.google.nl/books?id=FcBbAAAAQAAj&printsec=frontcover&hl=nl&source=gbs_ge_summary_r&cad=0#v=onepage&q&f=false . Het verhaal uit 1654 is vooralsnog de oudst bekende versie.
Hetzelfde vertelsel werd later ook opgenomen in den bundel Nieuwe Snakeryen, Of vermakelyke Historien, zynde eene naukeurige byeenverzameling Van ontrent Tweehonderd Koddige vertellingen (Leyden, a° 1732), blz. 292-309, onder den titel: 't Onthael van den Tovenaer. In deze lezing is de loop van het verhaal tot in bijzonderbeden dezelfde, doch de bewerker is in zijn stijl hier en daar wat wijdloopiger en hij wijzigt enkele onderdeelen naar den geest van zijn tijd.
De navolgende informatie is afkomstig van Annemieke Houben van de Liederenbank: het verhaal komt ook als liedje voor. De oudst bekende dateert uit 1717 en staat in <i>De Nieuwe vermeerderde Haagse Joncker, Of 't Amsterdamse Salet Juffertje</i>. Zie http://www.liederenbank.nl/liedpresentatie.php?zoek=117139&lan=nl . Een versie van het lied uit ca. 1815 is te vinden in <i>De grappige muyzeval waer in te vinden zijn de allerfraaiste en nieuwste liederen</i>, p. 38. Zie http://books.google.nl/books?id=FcBbAAAAQAAj&printsec=frontcover&hl=nl&source=gbs_ge_summary_r&cad=0#v=onepage&q&f=false . Het verhaal uit 1654 is vooralsnog de oudst bekende versie.
Trickster Discovers Adultery: Food Goes to Husband Instead of Paramour
Opgetekend door G.J. Boekenoogen
Naam Overig in Tekst
Philips II   
Naam Locatie in Tekst
Spanje   
Granada   
Frankrijk   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
