Hoofdtekst
DE DERDE VISSER
Twee mannen uit Wijk bij Maastricht spraken eens af om 's nachts te gaan vissen met de lange sim. Ze kamen overeen, dat ze maar naar het Papenwater zouden gaan, daar, waar dit in de Maas uitstroomt. Ze vergaten helemaal, dat het de nacht van Zaterdag op Zondag was, dus dat kon niet goed aflopen.
In de avond gingen ze dus naar het Papenwater toe en daar vonden ze een ,,puntsje'', zo'n bootje waar de boeren hun mest en hun groentes mee overvaren. Ze besloten dat puntsje te gebruiken. Ze stapten erin en gingen dichtbij elkander zitten, zo ongeveer in het midden. En de een wierp de sim naar de ene kant uit en de ander naar de andere kant en zo begonnen ze te vissen. Nu, daar zaten ze een paar uurtjes en ze vingen zo al eens wat, ze hadden voor niets anders aandacht dan voor hun hengel. Maar toen keek een van de twee een op en zijn blik ging zo toevallig langs de punt van de boot en toen zag hij iets waar hij zo van schrok, dat het hart in zijn lijf bijna stilstond. Hij schoof met een schok wat opzij, de boot wiebelde ervan en de ander keek een naar zijn kameraad om. Daarbij ging zijn blik ook langs de punt en wat hij daar zag, maakte dat hij meteen asgrauw in zijn gezicht werd.
- Zek Zjang, vroeg hij stilletjes, - suuz tiech het ouch?
- Jao, antwoordde de andere bibberend, - ich zeen et ouch.
Ze wilden nu allebei opspringen en er vandoor gaan, maar het was, of ze met touwen aan hun plaats waren gebonden, ze konden het niet.
Waar waren ze nu zo van geschrokken?
Voor in het puntsje zat een derde man te vissen! Dien hadden ze eerst helemaal niet gezien! Die was er beslist niet, toen zij erin kwamen! Waar kwam hij vandaan? Hoe kwam hij erin? Hij had toch langs hen moeten gaan om op zijn plaatsje te komen! En ze hadden niets gezien of gevoeld en het puntsje had niet geschommeld ook! Dat was niet pluis!
Doodsbenauwd zaten ze naast elkander. Ze durfden zich niet te verroeren.
Ze voelden, dat ze beet kregen, maar ze verroerden hun hengel niet, hoe het ook aan het hart ging om de buit te laten ontsnappen. Ze zaten maar. Soms hoorde de een den ander zuchten. Het duurde heel lang. De nacht was heel stil. Hoorden ze hun hart bonken?
Eindelijk sloeg de torenklok een uur. Toen stond de onbekende man op en kwam op ze af. De bangste van de twee verborg zijn gezicht in zijn handen, maar de ander vond nog de moed om zijn ogen open te houden. Hij zag den onbekende komen, hij zag hem langs hen gaan. Hij raakte hen niet aan, de boot bewoog niet. Hij zag hem aan land stappen....toen was hij ineens weg....De ander vroeg later aan hem, hoe die vreemdeling eruit zag, maar hij wist het niet, hij kom alleen maar zeggen, dat het gezicht van dien man net van spinrag had geleken.
Ze huiverden. Ze gingen zwijgend naar huis. Ze vergaten de vis. Ze wisten nu wel, waarom die man in hun boot was gekomen, maar ze zeiden het niet tegen elkaar. Ze zeiden alleen maar: goedenacht. Doch na die tijd gingen ze nooit meer vissen in de nacht van Zaterdag op Zondag.
Twee mannen uit Wijk bij Maastricht spraken eens af om 's nachts te gaan vissen met de lange sim. Ze kamen overeen, dat ze maar naar het Papenwater zouden gaan, daar, waar dit in de Maas uitstroomt. Ze vergaten helemaal, dat het de nacht van Zaterdag op Zondag was, dus dat kon niet goed aflopen.
In de avond gingen ze dus naar het Papenwater toe en daar vonden ze een ,,puntsje'', zo'n bootje waar de boeren hun mest en hun groentes mee overvaren. Ze besloten dat puntsje te gebruiken. Ze stapten erin en gingen dichtbij elkander zitten, zo ongeveer in het midden. En de een wierp de sim naar de ene kant uit en de ander naar de andere kant en zo begonnen ze te vissen. Nu, daar zaten ze een paar uurtjes en ze vingen zo al eens wat, ze hadden voor niets anders aandacht dan voor hun hengel. Maar toen keek een van de twee een op en zijn blik ging zo toevallig langs de punt van de boot en toen zag hij iets waar hij zo van schrok, dat het hart in zijn lijf bijna stilstond. Hij schoof met een schok wat opzij, de boot wiebelde ervan en de ander keek een naar zijn kameraad om. Daarbij ging zijn blik ook langs de punt en wat hij daar zag, maakte dat hij meteen asgrauw in zijn gezicht werd.
- Zek Zjang, vroeg hij stilletjes, - suuz tiech het ouch?
- Jao, antwoordde de andere bibberend, - ich zeen et ouch.
Ze wilden nu allebei opspringen en er vandoor gaan, maar het was, of ze met touwen aan hun plaats waren gebonden, ze konden het niet.
Waar waren ze nu zo van geschrokken?
Voor in het puntsje zat een derde man te vissen! Dien hadden ze eerst helemaal niet gezien! Die was er beslist niet, toen zij erin kwamen! Waar kwam hij vandaan? Hoe kwam hij erin? Hij had toch langs hen moeten gaan om op zijn plaatsje te komen! En ze hadden niets gezien of gevoeld en het puntsje had niet geschommeld ook! Dat was niet pluis!
Doodsbenauwd zaten ze naast elkander. Ze durfden zich niet te verroeren.
Ze voelden, dat ze beet kregen, maar ze verroerden hun hengel niet, hoe het ook aan het hart ging om de buit te laten ontsnappen. Ze zaten maar. Soms hoorde de een den ander zuchten. Het duurde heel lang. De nacht was heel stil. Hoorden ze hun hart bonken?
Eindelijk sloeg de torenklok een uur. Toen stond de onbekende man op en kwam op ze af. De bangste van de twee verborg zijn gezicht in zijn handen, maar de ander vond nog de moed om zijn ogen open te houden. Hij zag den onbekende komen, hij zag hem langs hen gaan. Hij raakte hen niet aan, de boot bewoog niet. Hij zag hem aan land stappen....toen was hij ineens weg....De ander vroeg later aan hem, hoe die vreemdeling eruit zag, maar hij wist het niet, hij kom alleen maar zeggen, dat het gezicht van dien man net van spinrag had geleken.
Ze huiverden. Ze gingen zwijgend naar huis. Ze vergaten de vis. Ze wisten nu wel, waarom die man in hun boot was gekomen, maar ze zeiden het niet tegen elkaar. Ze zeiden alleen maar: goedenacht. Doch na die tijd gingen ze nooit meer vissen in de nacht van Zaterdag op Zondag.
Beschrijving
Twee vrienden besluiten eens in de nacht van zaterdag op zondag te gaan vissen. Ze zitten goed en wel op het water tot ze een onbekende, derde visser voor in het bootje zien zitten. Ze hebben niets gehoord of gevoeld. Ze zijn doodsbang en blijven doodstil zitten tot de klok een uur slaat. Dan staat de spookvisser op en verdwijnt hij.
Bron
Nederlandse sagen/ Cor Bruijn. - Amsterdam: Ploegsma, 1946. p 111-113.
Commentaar
1946
Naam Overig in Tekst
Papenwater   
Zaterdag   
Zondag   
Zek Zjang   
Naam Locatie in Tekst
Wijk   
Maastricht   
Maas   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
