Hoofdtekst
Die .VIII. cluchte.
Daer was op eenen tijt een ghevanghen die men hangen woude, ghelijc men ooc dede. Ende als men hem uut voerden en beclaechde bi anders niet dan die roode cappe die hi in den toren gelaten hadde. En al wat men hem seyde en was 't anders niet dan al van sijn roode cappe: 'Hadde ick mijn roode cappe.'
Onderwysinghe.
Also sijnder vele die haer uuterste becommeren met sotte dinghen, als si hen met God door berou haerder sonden becommeren souden.
Daer was op eenen tijt een ghevanghen die men hangen woude, ghelijc men ooc dede. Ende als men hem uut voerden en beclaechde bi anders niet dan die roode cappe die hi in den toren gelaten hadde. En al wat men hem seyde en was 't anders niet dan al van sijn roode cappe: 'Hadde ick mijn roode cappe.'
Onderwysinghe.
Also sijnder vele die haer uuterste becommeren met sotte dinghen, als si hen met God door berou haerder sonden becommeren souden.
Beschrijving
Een man wordt gerechtelijk gehangen, maar alles waaraan hij zich druk om maakt, is zijn rode muts die hij in de gevangenis had laten liggen.
Evenzo gedragen zich vele mensen die met de dood voor ogen aan onzin denken in plaats van aan God.
Evenzo gedragen zich vele mensen die met de dood voor ogen aan onzin denken in plaats van aan God.
Bron
H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.
Commentaar
1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 27.
Naam Overig in Tekst
God   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
