Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CLUCHT126

Een mop (kluchtboek), 1554

Hoofdtekst

Van die hoereye.

Die .CXXIIII. cluchte.

Een vorst reedt door syn eygen landt met synder huysvrouwen ende bleef by eenen edelman te herberge. Die edelman hadde eenen soon die stom was. Als men adt, soe diende die stomme soe edelijck ende hovelick ter tafelen ende stont hem al wel aen wat hi dede. Die vorst woude met hem spreecken. Dye vader seyde hem dat hy niet spreecken en cost. Die vorstinne dachte: 'Dat waer een dienaer voor u, want hi soude swijgen ende voor hem en dorften ghy u niet schamen.' Sy badt haren man dat hy haer dyen tot eenen dienaer crijghen soude. Die edelman en cost 's den vorste niet weygeren. Die vorstinne nam den stommen met haer thuys. Ende als dan die vorst wech reedt, so haelde die stomme der vrouwen wijn aen. Ende als dan was by haer somtijts een edelman, somtijts een ruyter, doen mercte die stomme wel watter gaens was. Ende na een jaer oft twee reedt die vorst wederom tot des stommens vader ende nam den stommen met hem, dat hi syne vrienden besoeken soude. Die stomme diende den vorste wederom ter tafelen. Die vorst seyde tot des stommens vader: 'Is u soone een stomme van aert oft is 't hem comen van siecten oft hoe heeft hij 't gecregen?' Die vader seyde: 'Hi en is niet stom, hi can wel spreecken, maer hi en can niet boerden. Hy seet al uut wat hi weet ende scheynt die luyden ende seet die waerheyt. Doen hebbe ick hem eens gheheeten dat hy swijghen soude, tsinder heeft hi al ghesweghen.' Doen seyde die vorst totten vader: 'Lieve heer, laet hem spreecken, ick bidde u daer om.' Die vader seyde: 'Welaen soon, segt onsen ghenadighen heer wat.' De soon sprack: 'Heer, u vrouwe is die aldergrootste hoer die in 't lant is.' De vorst seyde: 'Swijcht, ghi hebt te veel gheseyt. Ick heb 't wel van tevoren gheweten.'

Beschrijving

Een vorst en zijn vrouw komen eens in een herberg. Ze worden bediend door de stomme zoon van de herbergier. De vorstin wil hem mee naar huis nemen als dienaar. Dat gebeurt, en de jongen ziet daar dat de vrouw veel overspel pleegt. Op een keer neemt de vorst de stomme jongen mee naar de herberg van zijn vader, en vraagt waarom zijn zoon niet spreken kan. De vader legt uit dat de vader de jongen een keer heeft gezegd te zwijgen, omdat hij geen grappen kon maken en altijd de waarheid sprak. Sindsdien heeft hij niet meer gesproken. De vorst vroeg toen of hij de jongen toch eens wilde laten spreken. De zoon zei toen dat de vorstin de allergrootste hoer van het land was. De vorst zei: "Zwijg, je hebt teveel gezegd. Ik heb het wel van tevoren geweten."

Bron

H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.

Commentaar

1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 219.

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22