Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VVUNL036 - De wondere stem

Een legende (), (foutieve datum)

Hoofdtekst

De wondere stem

Er was eens zo'n rare scheper, die wel zijn schapen goed liet weien en heien daar in de Venrayse Peel, maar die verder de hele zomer als hij met de schapen en zijn waakhond op de wijde hei zat, zich noch aan God noch aan Zijn gebod iets gelegen liet liggen. Eerst als hij tegen de winter aan uit de Peel kwam, dan ging hij wel weer eens naar de kerk. Omdat iedereen dat hier deed, en ook omdat zijn oude moeder maar tevreden zou zijn.
De Peel, dat was het grote hei- en weiveld voor de scheper zijn schapen. Dat was toen, zoals het nog wel wat is (maar het heeft er zoveel van verloren), een prachtig en romantisch land, doch ook een eenzaam en woest gebied. Men zag er slechts weinige mensen in, behalve de klutensteker, 'n imker, 'n plaggenhouwer of een scheper; en dat was nog maar alleen in het goede seizoen, want 's winters lag de Peel er geheel verlaten.
En als dan op zekere zomerdag de scheper een vrouwspersoon door de wijde hei zag gaan, heel alleen, vond hij dat zeer vreemd. Hij liet zijn schapen even aan zijn hond over en ging op de vrouw toe, echter zo, dat de vrouw dat niet zou kunnen opvatten alsof hij het met enige opzet deed; de vrouw zou er anders van schrikken misschien, en dat wilde hij toch niet. Hij zag dat de vrouw een rozenkrans in de hand had, en dat ze bad. Ze had zeker wel wat op haar lever, dacht de scheper, of ze ging een bedevaart doen naar Onze Lieve Vrouw van Oostrum of naar een andere Onze Lieve Vrouw. Dat was een heel eind voor zo'n vrouwmens! En zij zag er zeer bezorgd uit, en de scheper kreeg medelijden met haar.
'Dag vrouw,' groette hij, en frutselde wat met zijn schepersschupke.
'Dag scheper,' groette de vrouw terug, en wilde doorgaan.
'Hebt ge wat?' vroeg de scheper.
'Ja, dat heb ik,' antwoordde de vrouw, en keek ver weg naar het oosten.
De scheper mikte 'n schupke heigrond ergens op het heipad, en wachtte.
'Ja,' zei de vrouw. 'Maar ik vraag alleen, dat ge goed voor mij en met mij zult bidden; ge hebt er toch tijd zat voor, hier in de Peel bij uw schapen. En ik heb het hard nodig, zeer hard. Ik moet de Heilige Maria iets dringends afsmeken; ik ben op weg naar Haar bedevaartplaats Oostrum, daar achter Venray.'
De scheper was getroffen dat de vrouw zulke moeite deed. En hij durfde haar niet te zeggen dat hij allesbehalve braaf was, dat hij de gehele zomer, als hij in de hei bij de schapen en in de plaggenkooi sliep, nooit bad. Hij wilde die arme vrouw, die van zo ver kwam en naar zo ver heen trok, niet kwetsen noch haar het vertrouwen ontnemen. En daarom zei hij, terwijl hij het schepersschupke tegen zijn arm liet rusten en een pruimke nam: 'Ja, vrouw, dat zal ik doen, ge kunt ervan op aan. En ge verkrijgt het wel van Maria.' – En de scheper meende dat voor de vrouw te kunnen bevestigen door een straaltje verse pruimesap tegen 'n heistruik te fliertsen dat deze ervan boog. Geloofde hij het zelf wel?
De vrouw zette haar beeweg voort als ze hem bedankt had dat hij mee zou bidden: 'Dag scheper, en bedankt!'
En de scheper ging naar zijn schapen terug: 'Dag vrouw, en het komt in orde!'
De vrouw stippelde weg aan de horizon. De scheper stond bij zijn schapen, en ging er eens zitten. Maar de rest van de dag was hij heel wat stiller dan anders; hij floot geen deun, hij keek geen tureluur na. Hij had ook geen zin meer om wat te breien, wat hij anders veel deed, en hij had ook geen zin meer om met zijn schopje figuren en kogelgaten te steken in de heigrond. Eerst tegen de avond, toen hij het werk kreeg om de schapen in de kooi te brengen, kon hij een en ander vergeten.
De avond lag al dik over de Peel, en zo'n avond is zo romantisch. De scheper had ernaar gekeken, hoe het licht in het westen vervloeide, en hoe de duisternis als een grote wals uit het oosten aankwam. Toen het een beetje begon te waaien, ging hij ook de kooi in en stak het snotlampje aan: hij had er een haard, en met wat olie en meel bakte hij een dikke pannekoek. Een stuk spek sneed hij van de voorraad, die boven de haard berookt hing; de hond kreeg ook wat.
Een uur later blies hij de snotlamp uit en lei zich neer in de kooiheerd om te slapen.
Dan kwam de herinnering hem weer op, de herinnering aan de ontmoeting met die vrouw. Ze kwam sterk in hem op. Ja, de vrouw had een groot vertrouwen. Kon men wel vertrouwen? Bestond zo iets wel: hij kon het haast niet geloven. Hij had nog nooit niks met bidden kunnen verkrijgen, daarom bad hij niet meer. En zijn moeder verkreeg het ook niet, waarom zij bad: want die bad dat hij een brave, godsdienstige man zou worden.
Nou, en dat was nog niet zo. Maar die vrouw straks... hij had haar toch beloofd voor haar en met haar mee te bidden. Die vrouw telde erop; zij had er zo bedrukt en zo bedroefd uitgezien, en ze verwachtte zoveel van haar beeweg. Wel, zijn gebed zou wel niks kunnen uithalen, maar allee! hij had het beloofd, welnu, hij zou dan ook maar wat bidden voor die vrouw: ene van de Peel, die houdt zijn woord.
En daar hij geen rozenkrans had, telde hij de tientjes van het rozenhoedje uit op zijn vingers, en zei telkens na een tientje: 'Heilige Maria, die vrouw van deze morgen, ontferm U over haar en verhoor haar.' – De scheper had er wel een halfuur voor nodig gehad om het ene rozenhoedje te bidden, want hij moest telkens weer prakkezeren, hoe het weesgegroetje en hoe het onzevader gebeden werd en welke de woorden wel waren. Hij was nu aan het laatste weesgegroet. En toen opeens nam hij een zoete rozegeur waar, ofschoon hier midden in de Peel en bij de schaapskooi toch geen rozen, zelfs geen wilde, groeiden: daar stonden enkel 'n wachelstruik en wat kromgewaaide dennen. ook had hij niemand gehoord noch zag hij iemand, die deze geur hier had kunnen brengen. Hij was er zeer verwonderd over, vergat zelfs zijn laatste weesgegroet uit te bidden. En dan hoorde hij opeens een strenge, duidelijke Vrouwestem, die hem aansprak: 'Vriend, ge bidt tot Mij, en ge zijt vijandig met Mij, met Mijn Zoon en met Mijn en uw Vader. En uw ziel is geheel zwart. Hoe wilt ge hebben dat Ik u kan aanhoren?' De scheper werd bevreesd en hij zei terug: 'Wie Gij ook zijt, Vrouw, ik heb in zondige staat gebeden, ja, dat heb ik, dat is waar. Maar Ge kunt ervan op aan, Vrouw, dat ik morgen tot U zal bidden, en dan niet meer als nu in een zondige staat.' En de scheper prakkezeerde niet langer: ene van de Peel, die houdt zijn woord. Hij stond van zijn slaapheerd op, liet de hond en de schapen achter, na eerst met zijn schepersschop een kruis over de kooi te hebben geslagen, en trok dan de hei op, de hei door, de Peel uit. Hij ging naar de paters van het klooster in het dorp. En belde hen wakker. En werd er ontvangen.

En tegen dat het eerste morgenlicht de schapen wakker maakte, was hij aan de schaapskooi terug. De damp hing over de Peel, de Peel rook, de schapen begonnen te blaten, de hond rende al op en aan. Maar voordat de scheper iets deed, knielde hij neer, daar midden in de hei bij die schaapskooi, en bad er, opnieuw, het rozenhoedje. Nu in goede staat, in staat van genade. En van dezelfde stonde af verkreeg ook de vrouw ginds, waarvoor zij Maria had gebeden.

Onderwerp

SINLEG 0345 - Maria erscheint einem Sünder, um ihn zu bekehren (einem Spötter, Mönch; der das Kloster verlassen will).    SINLEG 0345 - Maria erscheint einem Sünder, um ihn zu bekehren (einem Spötter, Mönch; der das Kloster verlassen will).   

Beschrijving

Een herder belooft een bedevaart-houdende vrouw te bidden tot Maria. Hoewel hij niet gelooft, bidt hij toch, waarna Maria tot hem spreekt en de herder zich bekeert.

Bron

Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 38-41 N°1.13

Motief

Q223.1 - Neglect to pray punished.    Q223.1 - Neglect to pray punished.   

Q36 - Reward for repentance.    Q36 - Reward for repentance.   

V254.1 - Saying of “Aves” obliterates sin.    V254.1 - Saying of “Aves” obliterates sin.   

Commentaar

Als vertellers worden in totaal genoemd: Joh. Lemmens, H. van Baar (Venray); L. Strijbos (Deurne)
bewerking: Herberghs, 1978, 62f
Maria erscheint einem Sünder um ihn zu bekehren
Gerard Lemmens, Maria in Limburg, 1947, 177-181

Naam Overig in Tekst

Peel    Peel   

Maria    Maria   

God    God   

Onze Lieve Vrouw    Onze Lieve Vrouw   

Naam Locatie in Tekst

Venray    Venray   

Oostrum    Oostrum   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20