Hoofdtekst
De wildstroper van Enzebroek
De burchtheer
'Van 't zondig Enzebroek,
Dat met kasteel en ridderzaal
Daar wegzonk door een vloek.'
J. HABETS, Limb. Ieg.
had een jachtopziener, die 't uitgestrekte jachtveld van zijn heer moest beschermen tegen de vele loorjegers (loerjagers of wildstropers) die jaarlijks menig haasje en menige koppel veltjhoender buitmaakten.
Op een zijner dagelijkse wandelingen betrapte de opziener een berucht stroper. Deze scheen echter niet vervaard en stapte met zijn jachtroer onder de arm rechtstreeks en bedaard op de opzichter toe. Hij droeg een pet van vossevel; de haveloze plunje hing hem slordig om de plompe leden; zijn donker, onvriendelijk gezicht was ten dele bedekt door een peper-en-zoutgespikkelde, ordeloze baard; alles geschikt om in hem de man te doen zien, met wie men tussen vier ogen niet graag een appeltje te schillen zou hebben.
De 'gardesjas', wel ooit beter op zijn gemak geweest, trachtte moed te veinzen en sprak vrij bars: 'Zo! eindelijk heb ik jou toch ook eens bij de kladden. Ga maar eens heel gauw mee naar de heer!'
De man met zijn ruige pet scheen echter in 't geheel niet verbouwereerd, en bleef doodbedaard staan, terwijl hij met een paar doordringende ogen de jachtopziener aankeek, die, had hij gedurfd, gaarne zou hebben geretireerd. 'Jông,' sprak na een kleine wijl de stroper, 'jông, ik weet niet of mijn vrouw 't wil lijden dat ik met je meega; maar wacht hier een moment, ik zal 't aan mijn vrouw gaan vragen.' Met stapt hij doodbedaard verder en laat de opzichter daar staan. De sukkel kon ook niet meer van plaats. Eerst des anderendaags tegen 't vallen van de avond kwam de loorjeger terug op de plaats, waar nog altijd onbeweeglijk als een paal, de jachtopziener stond.
'Gank mer heives' (ga maar naar huis, heives = samentrekking uit heimwaarts), zei kortaf de stroper, 'mien vrouw wil niet hebben dat ik meega.' Op 't zelfde ogenblik kon de arme drommel van plaats en spoedde zich, zonder natuurlijk de betrapte wilddief verder lastig te vallen, ijlings naar 't slot, waar men reeds lang in ongerustheid had gezeten over zijn wegblijven.
't Gehele avontuur werd verteld en iedereen moest toch nu ook eerlijk bekennen dat 't met die beruchte stroper mèt zien roew möts van vossevel niet rechttoe was; vooral de gardesjas gaf de plechtige verzekering dat hij hem nooit niks meer zou zeggen al schoot hij de hiël haaze en petrieze van Hinzebrook kepot.
De burchtheer
'Van 't zondig Enzebroek,
Dat met kasteel en ridderzaal
Daar wegzonk door een vloek.'
J. HABETS, Limb. Ieg.
had een jachtopziener, die 't uitgestrekte jachtveld van zijn heer moest beschermen tegen de vele loorjegers (loerjagers of wildstropers) die jaarlijks menig haasje en menige koppel veltjhoender buitmaakten.
Op een zijner dagelijkse wandelingen betrapte de opziener een berucht stroper. Deze scheen echter niet vervaard en stapte met zijn jachtroer onder de arm rechtstreeks en bedaard op de opzichter toe. Hij droeg een pet van vossevel; de haveloze plunje hing hem slordig om de plompe leden; zijn donker, onvriendelijk gezicht was ten dele bedekt door een peper-en-zoutgespikkelde, ordeloze baard; alles geschikt om in hem de man te doen zien, met wie men tussen vier ogen niet graag een appeltje te schillen zou hebben.
De 'gardesjas', wel ooit beter op zijn gemak geweest, trachtte moed te veinzen en sprak vrij bars: 'Zo! eindelijk heb ik jou toch ook eens bij de kladden. Ga maar eens heel gauw mee naar de heer!'
De man met zijn ruige pet scheen echter in 't geheel niet verbouwereerd, en bleef doodbedaard staan, terwijl hij met een paar doordringende ogen de jachtopziener aankeek, die, had hij gedurfd, gaarne zou hebben geretireerd. 'Jông,' sprak na een kleine wijl de stroper, 'jông, ik weet niet of mijn vrouw 't wil lijden dat ik met je meega; maar wacht hier een moment, ik zal 't aan mijn vrouw gaan vragen.' Met stapt hij doodbedaard verder en laat de opzichter daar staan. De sukkel kon ook niet meer van plaats. Eerst des anderendaags tegen 't vallen van de avond kwam de loorjeger terug op de plaats, waar nog altijd onbeweeglijk als een paal, de jachtopziener stond.
'Gank mer heives' (ga maar naar huis, heives = samentrekking uit heimwaarts), zei kortaf de stroper, 'mien vrouw wil niet hebben dat ik meega.' Op 't zelfde ogenblik kon de arme drommel van plaats en spoedde zich, zonder natuurlijk de betrapte wilddief verder lastig te vallen, ijlings naar 't slot, waar men reeds lang in ongerustheid had gezeten over zijn wegblijven.
't Gehele avontuur werd verteld en iedereen moest toch nu ook eerlijk bekennen dat 't met die beruchte stroper mèt zien roew möts van vossevel niet rechttoe was; vooral de gardesjas gaf de plechtige verzekering dat hij hem nooit niks meer zou zeggen al schoot hij de hiël haaze en petrieze van Hinzebrook kepot.
Onderwerp
SINSAG 0666 - Zauberer bannt an den Ort.   
Beschrijving
Stroper zet jachtopziener vast.
Bron
Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 111f N°5.1
Motief
D2072.0.5 - Person paralyzed.   
Commentaar
Jacques Cuijpers, De Maasgouw, jg. 13, N°46 (15-10-1891), 183
Naam Overig in Tekst
Enzebroek   
Hinzebrook   
Habets, J.   
Habets, J.   
Naam Locatie in Tekst
Enzebroek   
Hinzebrook   
Plaats van Handelen
Neeritter   
Datum Invoer
2013-03-01 14:50:22
