Hoofdtekst
Toen we onlangs een rit maakten door 't onmetelijke, woeste heideterrein Meinweg, raakten we in gesprek met een man die daar werkzaam was. We waren er op zoek naar erratische gesteenten, en op de verschillende vragen die we de werkman stelden, sloeg hij al spoedig een nieuwsgierige blik op ons, tegelijkertijd daarbij zeggende: 'Mijnheer, ik geloof, dat ik u ken.' En de goeie man vergiste zich dan ook geenszins, al voegde hij er ook aanstonds bij, dat hij ermede bedoelde dat hij vaak onze naam hoorde noemen 'oet 't Mestreechter blèèdje'. De lezer moge hierdoor weten dat de mensen in deze buurt de lokale, beter onze provinciale bladen niet betitelen met gazet, courant of nieuwsblad, maar alleen met 'blèèdje', al verschijnt een uitgave dan ook al met meerdere nummers. Dat heeft zijn betekenis, waarover later eens. In elk geval werd nu het gesprek al spoedig veel vertrouwelijker. 'Mijnheer,' zo heette het eindelijk, 'nu moet ik u toch ook eens wat vragen.' 'Ga je gang.' 'Toen ik laatst huiswaarts keerde – ik kwam laatst van Meinweg thuis – heb ik rare dingen gezien. Het was nogal knap duister.
Zoals u wel weten zult, liggen langs de "baan" (de spoorbaan Roermond – Gladbach) verschillende grote poelen.' 'Ja, dat weet ik. U bedoelt toch zeker de Melicker en Herkenboscher vennen, het Witte ven, het Flincke ven, enz?' 'Juist, mijnheer. Welnu, toen ik deze voorbijging, zag ik op een paar honderd meter afstand, links en rechts van de weg, blauwachtige lichtjes op en neer dansen. Ik moet u wel vertellen, mijnheer, dat 't mij op dat ogenblik "neet recht" was. Ik dacht er dan ook geen ogenblik aan om eens te gaan kijken wat daar "los" was. Want ik voelde waarachtig meer genegenheid om 't 'm maar zo gauw mogelijk te "smeren". En nu moogt gij ermee lachen, als u wil, maar toen 't mij scheen of de lichtjes neiging gevoelden met mij te komen kennis maken, zette ik 't op een lopen, zo hard ik maar kon, in de richting van het dorp. Ja, mijnheer, en vlot ging 't, dat verzeker ik u. Want onderweg nog eens omkijkend, en bemerkende dat niemand mij achtervolgde, dacht ik er opeens aan wat mijn grootvader zaliger mij altijd vertelde, nl. dat zulke blauwe vlammetjes des avonds de ronddolende zieltjes waren van ongedoopte kinderen, die iemand komen verzoeken om aan die poel gedoopt te worden, en dat hij ze ook wel eens 's nachts op 't kerkhof gezien had. En ik was maar wat blij, toen ik merkte dat ik "bao" bij moeder de vrouw was.'
'En wat zei uw vrouw, toen je zo haastig kwaamt binnengestormd?'
'Niet veel, mijnheer. Omdat ik me zo erg in zweet had gelopen, meende zij dat "ter mich eine achter mien vèère waas gewèèst".'
Daarmee was dit chapiter in zoverre geëindigd dat ik hem nog eerst moest vertellen of 'de kal' van de mensen over die lichtjes waarheid bevat. We hebben de man ook aanstonds gerustgesteld, en hem in korte trekken verhaald waarom hij voortaan niet meer zo'n benen hoefde te maken, als hij die lichtjes nog eens mocht zien op zijn avondreis. Maar de eenvoudige man antwoordde daarop, dat dat allemaal goed en wel was, doch dat hij er voortaan wel voor zou zorgen 'met de leechte heim' te wezen. Tot zover dit voor ons zeer aangenaam en welkom gevalletje.
Onderwerp
SINSAG 0181 - Die getauften Irrlichter   
TM 4905 - Dwaallichten (stalkaarsen)   
Beschrijving
Bron
Motief
F491 - Will-o’-the-Wisp.   
E742 - Soul as light.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Melicker   
Herkenboscher   
Witte ven   
Flincke ven   
Naam Locatie in Tekst
Meinweg   
Maastricht   
Roermond   
Gladbach   
