Hoofdtekst
Een volkssage van de Duitse grenzen bij Roermond
Een jeugdige heks had eenmaal met een troepje oudere heksen een tochtje medegemaakt van Herkenbosch naar Keulen, om zich daar in een wijnkelder, aan een der ouderen bekend, te goed te doen. De overste van de heksentroep had dezen in beweging gesteld door – nadat elk op haar bezemsteel had plaats genomen – de volgende machtspreuk uit te brengen:
Hoetepetoet!
Door de sjoarsjtein oet,
Euver hek en sjtroek,
Tot in Keulen in de wienkelder,
En dan oug weer droet.
Het was de jonge heks in Keulen zo goed bevallen, dat zij zich voornam de reis nog eens te maken, doch dan, om meer vrijheid te hebben, alleen met een vriendin, die, evenals zij, eerst voor korte tijd in het heksenkorps was ingelijfd.
De vriendin maakte aanvankelijk bezwaar, vooral omdat de reis gevaarlijk was. Immers, indien men niet voor zonsopgang thuis terug was, zou de duivel de heksen de nek breken. Zij liet zich door de schone voorspiegelingen van de andere, die bovendien de machtspreuk van de vorige reis goed onthouden had, 'omkalle'.
Op een goede avond stonden dan ook de beide heksen gereed om – klokslag middernacht – de tocht te ondernemen. Gewapend met haar bezemstelen, wachtten zij tot de eerste slag van twaalf zich horen liet, en toen zei heks no. 1:
'Alla! Bus te gereid?'
'Joa! Ig bun gereid,' antwoordt no. 2.
'Noe dan. Doa geit der,' zegt no. 1.
'Wacht nog efkes,' brengt no. 2 in. 'Zou et neit al te geveerlik zien, zo wied eweg te vare? Zouë veur mer neit heim blieve?'
'Bus te bang?' vervolgt no. 1. 'Ig hub gei sjpier zorg. Mig tunjt, det ig de wien al ruuk. Doa geit der veur goud:
Hoetepetoet!
Door de sjoarsjtein oet,
Dan door hek en sjtroek,
Tot in Keulen in de wienkelder,
En dan neit weer droet.'
Zoals men ziet, vergiste de lichtzinnige heks zich in een paar woorden der machtspreuk. Dientengevolge vlogen zij de schoorsteen uit, maar verder – in stede van, zoals bij de vorige reis, hoog door de lucht te rijden – ging het laag bij de grond voorwaarts, door heggen en struiken tot in de wijnkelder. Daardoor kwamen zij vreselijk gehavend op haar bestemming. Hoofd en schouders waren met bulten en krassen bedekt, en, zo haar klederen niet van sterk 'tierteie' stof waren geweest, zouden zij er nog veel slechter afgekomen zijn. Daar lagen zij, hijgende en bloedende, in de kelder. De tweede kwam echter spoedig bij, en zeide met kermende stem:
'Zuus t'et noe? Ig hub dich joa gezagd, dat et neit goud goan zou.'
Nadat de heksen een weinig tot bedaren waren gekomen, werd er lustig gedronken van de wijn, die in de kelder lag.
'Woare veur mer heim!' zegt no. 2, evenals no. 1 haar glas nog eens ledigend.
'Och kom!' sust no. 1. 'Veur zolle waal weer heim komme. Veur hubbe joa oos päärd nag... Wo is et din?'
'Hie is et,' antwoordt no. 2. 'Ig hub et ongerwèges duchtig modde vasthate, om et neit te verleize... Woare veur mer heim!'
'Doe bus ein eerste bangboks,' gromt no. 1. 'Lang die glaas nag mer ins hie, dan tap ig nag ins.'
'Doa!' zegt no. 2. 'Mer dan oug neit meer. Veur mochten ins zaat wèren en van oos päärd valle. En dan koame veur zeker neit bietie (bijtijds) heim. Br...!' eindigt zij, haar hoofd met beide handen met een ruk naar voren trekkend, alsof zij zelf haar nek breken wil.
'Zo wied is et nag neit,' sust no. 1. 'Mer ig wil mig oug sjpouë. Nag ei glääsken en dan veurwaarts.'
Toen de glazen voor de derde maal geledigd waren, bestegen de heksen haar bezemstelen, en wilden de terugreis aannemen... Maar de 'paarden' bleven roerloos.
Zij schreeuwen en kermen, verplaatsen de bezemstelen achterstevoren, maken allerlei bewegingen, om de traagheid der paarden te overwinnen. Niets helpt...
'Wat noe?' jammert no. 2.
'Ja, wat noe?' herhaalt no. 1. 'Veur zien verloare, pomp verloare...!'
'Wie zo?' vraagt no. 2. 'Wovan wits te det?'
'Ig herinner mig noe,' zegt no. 1. 'Ig hub et machtwoard niet goud gezagd. In plaats van euver, zagt ig door hek en sjtroek, en doarom gong de reis zo ellenjig. En oug hub ig, in plaats van oug weer droet, gezagd neit weer droet... Veer zien verloare!'
'Oa jei! Oa jei!' jammerklaagt no. 2. 'Noe gluif ig et oug... Mer dan is et mig oug èvevoeul, af der duvel mig noe voart krigt af morge vruig. Det sjteit zich geliek, en makt op de eeuwigheid niks oet. Mer dan wil ig neit nuchter in de hel komme... Tap!' Zij reikt haar glas over.
'De's et eerste versjenjig woard, wat ig van dig heur,' zegt no. 1. 'Veur zollen drinke, drinke, drinke... Dan vuile veur neit, wen os de nak gebroake weurdt.'
En toen dronken de heksen zoveel wijn als zij maar 'halzen' konden; en het duurde niet lang of beiden lagen 'zo lank es ze gewasse woare', dronken op de vloer van de kelder uitgestrekt. Toevallig kwamen 's morgens heel vroeg een paar werklieden in de kelder, en vonden daar de twee heksen liggen, roerloos en met de bezemstelen naast zich. De werklieden maakten alarm. Heel Keulen was in een oogwenk op de been, en, lang voordat de zon opkwam, waren de beide heksen, rug aan rug tegen een paal gebonden, op een brandstapel geplaatst. 'En' – zo eindigt het verhaal – 'det waas ei groot geluk veur hoeur, angers hej der duvel hoeur in de kelder de nak gebroake... Wie hoeur noe de vlam aan et lief kaam, koame ze van de pien "tot zich" (bij), en zie bekeerde zich allebie veurdet ze verbranjd woare... Det hau der duvel neit gäär. En det kosj men zeen; hè vloag in de gedaante van eine koetsjuul door de locht boaven de branjdsjtapel, en de ganse locht roak noa zjwágel en pèèk... Hè haw èvel gaar gein macht meer euver de heksen, en vloag allein weer noa de hel.'
Een jeugdige heks had eenmaal met een troepje oudere heksen een tochtje medegemaakt van Herkenbosch naar Keulen, om zich daar in een wijnkelder, aan een der ouderen bekend, te goed te doen. De overste van de heksentroep had dezen in beweging gesteld door – nadat elk op haar bezemsteel had plaats genomen – de volgende machtspreuk uit te brengen:
Hoetepetoet!
Door de sjoarsjtein oet,
Euver hek en sjtroek,
Tot in Keulen in de wienkelder,
En dan oug weer droet.
Het was de jonge heks in Keulen zo goed bevallen, dat zij zich voornam de reis nog eens te maken, doch dan, om meer vrijheid te hebben, alleen met een vriendin, die, evenals zij, eerst voor korte tijd in het heksenkorps was ingelijfd.
De vriendin maakte aanvankelijk bezwaar, vooral omdat de reis gevaarlijk was. Immers, indien men niet voor zonsopgang thuis terug was, zou de duivel de heksen de nek breken. Zij liet zich door de schone voorspiegelingen van de andere, die bovendien de machtspreuk van de vorige reis goed onthouden had, 'omkalle'.
Op een goede avond stonden dan ook de beide heksen gereed om – klokslag middernacht – de tocht te ondernemen. Gewapend met haar bezemstelen, wachtten zij tot de eerste slag van twaalf zich horen liet, en toen zei heks no. 1:
'Alla! Bus te gereid?'
'Joa! Ig bun gereid,' antwoordt no. 2.
'Noe dan. Doa geit der,' zegt no. 1.
'Wacht nog efkes,' brengt no. 2 in. 'Zou et neit al te geveerlik zien, zo wied eweg te vare? Zouë veur mer neit heim blieve?'
'Bus te bang?' vervolgt no. 1. 'Ig hub gei sjpier zorg. Mig tunjt, det ig de wien al ruuk. Doa geit der veur goud:
Hoetepetoet!
Door de sjoarsjtein oet,
Dan door hek en sjtroek,
Tot in Keulen in de wienkelder,
En dan neit weer droet.'
Zoals men ziet, vergiste de lichtzinnige heks zich in een paar woorden der machtspreuk. Dientengevolge vlogen zij de schoorsteen uit, maar verder – in stede van, zoals bij de vorige reis, hoog door de lucht te rijden – ging het laag bij de grond voorwaarts, door heggen en struiken tot in de wijnkelder. Daardoor kwamen zij vreselijk gehavend op haar bestemming. Hoofd en schouders waren met bulten en krassen bedekt, en, zo haar klederen niet van sterk 'tierteie' stof waren geweest, zouden zij er nog veel slechter afgekomen zijn. Daar lagen zij, hijgende en bloedende, in de kelder. De tweede kwam echter spoedig bij, en zeide met kermende stem:
'Zuus t'et noe? Ig hub dich joa gezagd, dat et neit goud goan zou.'
Nadat de heksen een weinig tot bedaren waren gekomen, werd er lustig gedronken van de wijn, die in de kelder lag.
'Woare veur mer heim!' zegt no. 2, evenals no. 1 haar glas nog eens ledigend.
'Och kom!' sust no. 1. 'Veur zolle waal weer heim komme. Veur hubbe joa oos päärd nag... Wo is et din?'
'Hie is et,' antwoordt no. 2. 'Ig hub et ongerwèges duchtig modde vasthate, om et neit te verleize... Woare veur mer heim!'
'Doe bus ein eerste bangboks,' gromt no. 1. 'Lang die glaas nag mer ins hie, dan tap ig nag ins.'
'Doa!' zegt no. 2. 'Mer dan oug neit meer. Veur mochten ins zaat wèren en van oos päärd valle. En dan koame veur zeker neit bietie (bijtijds) heim. Br...!' eindigt zij, haar hoofd met beide handen met een ruk naar voren trekkend, alsof zij zelf haar nek breken wil.
'Zo wied is et nag neit,' sust no. 1. 'Mer ig wil mig oug sjpouë. Nag ei glääsken en dan veurwaarts.'
Toen de glazen voor de derde maal geledigd waren, bestegen de heksen haar bezemstelen, en wilden de terugreis aannemen... Maar de 'paarden' bleven roerloos.
Zij schreeuwen en kermen, verplaatsen de bezemstelen achterstevoren, maken allerlei bewegingen, om de traagheid der paarden te overwinnen. Niets helpt...
'Wat noe?' jammert no. 2.
'Ja, wat noe?' herhaalt no. 1. 'Veur zien verloare, pomp verloare...!'
'Wie zo?' vraagt no. 2. 'Wovan wits te det?'
'Ig herinner mig noe,' zegt no. 1. 'Ig hub et machtwoard niet goud gezagd. In plaats van euver, zagt ig door hek en sjtroek, en doarom gong de reis zo ellenjig. En oug hub ig, in plaats van oug weer droet, gezagd neit weer droet... Veer zien verloare!'
'Oa jei! Oa jei!' jammerklaagt no. 2. 'Noe gluif ig et oug... Mer dan is et mig oug èvevoeul, af der duvel mig noe voart krigt af morge vruig. Det sjteit zich geliek, en makt op de eeuwigheid niks oet. Mer dan wil ig neit nuchter in de hel komme... Tap!' Zij reikt haar glas over.
'De's et eerste versjenjig woard, wat ig van dig heur,' zegt no. 1. 'Veur zollen drinke, drinke, drinke... Dan vuile veur neit, wen os de nak gebroake weurdt.'
En toen dronken de heksen zoveel wijn als zij maar 'halzen' konden; en het duurde niet lang of beiden lagen 'zo lank es ze gewasse woare', dronken op de vloer van de kelder uitgestrekt. Toevallig kwamen 's morgens heel vroeg een paar werklieden in de kelder, en vonden daar de twee heksen liggen, roerloos en met de bezemstelen naast zich. De werklieden maakten alarm. Heel Keulen was in een oogwenk op de been, en, lang voordat de zon opkwam, waren de beide heksen, rug aan rug tegen een paal gebonden, op een brandstapel geplaatst. 'En' – zo eindigt het verhaal – 'det waas ei groot geluk veur hoeur, angers hej der duvel hoeur in de kelder de nak gebroake... Wie hoeur noe de vlam aan et lief kaam, koame ze van de pien "tot zich" (bij), en zie bekeerde zich allebie veurdet ze verbranjd woare... Det hau der duvel neit gäär. En det kosj men zeen; hè vloag in de gedaante van eine koetsjuul door de locht boaven de branjdsjtapel, en de ganse locht roak noa zjwágel en pèèk... Hè haw èvel gaar gein macht meer euver de heksen, en vloag allein weer noa de hel.'
Onderwerp
SINSAG 0511 - Über Weg und Steg   
Beschrijving
Een jonge heks leert de toverspreuk om naar de wijnkelder te Keulen te gaan en gaat met een geheel onervaren vriendin erheen, zegt echter de spreuk fout: "door heg en struik" en "niet meer eruit", en 's morgens worden ze gevonden en nog dezelfde dag op de brandstapel verbrand, maar ze bekeren zich op de brandstapel, tot verdriet van de duivel, die als een uil door de lucht vliegt.
Bron
Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 131-133 N°7.1
Motief
F282.2 - Formulas for fairies’ travel through air.   
G242.7.g   
F282.4* - Mortal joins fairies in their flights and revelry: by imitating their calls.   
Commentaar
1894
Über Weg und Steg (= ML 5006* (Briggs): The ride with the fairies)
J. M. Janssen, in: Limburgs Jaarboek I (1894), 59-62
Naam Locatie in Tekst
Herkenbosch   
Keulen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
