Hoofdtekst
Putbroek, een bijdorp van Echt, heeft zijn benaming te danken – aldus de volksmond – aan een aldaar voorheen aanwezige put, welke thans nagenoeg geheel gevuld is door aanzanding, storting en andere oorzaken. Omtrent het ontstaan van deze put gaat de volgende legende. Vroeger stond daar een veldkapel, toegewijd aan Onze Lieve Vrouw van de Zeven Weeën. Ze werd bezocht door leden, die hier kwamen bidden of genade vragen, in het bijzonder als men geplaagd werd door een inwendig verdriet. In een zekere zomer werkten er twaalf houthakkers, gekomen uit andere streken, in de omliggende dennenbossen: hun heer, iemand met een gouden ketting over zijn buik en met zwarte ogen, had enkele bossen aangekocht. Het waren ruwe kerels; men zag hen nimmer in de kerk; en een priester had al eens geprobeerd, met hen in een meer vriendschappelijke aanraking te komen, zonder succes echter. Het was lange tijd goed weer geweest, men had flink wat werk kunnen verzetten en daardoor ook flink verdiend. Maar op een dag kwam plots een zwaar noodweer opzetten. Fel sneden in hoekige lijnen de weerlichten geelgloeiend door de zwarte lucht, en overal kraakten de donderslagen over het land, het broek en de bossen. Dikke hagel striemde neer, hagel zo dik als duiveëieren, en trommelde geducht en pijnlijk over de ruggen van de verraste boswerkers; ze vluchtten naar het kapelletje om er te schuilen. Doch ze konden er niet allemaal in. Het zware onweer berokkende flink wat schade aan hun werk, en mokkend balden enigen van hen de vuisten. Maar dat was het niet alleen: die niet in de veldkapel konden, begonnen te vloeken, waarom die Vrouwe daarbinnen niet zorgde dat dit ding groter was. En een van hen hief de vuist gebald op naar het Mariabeeldje en hoonde gruwzaam de voorstelling van de Zeven Weeën. Ook de andere houthakkers-boswerkers begonnen smalend te schimpen en braakten hemeltergende heiligschennerij. Aangespoord door de anderen, rukte een van hen het beeldje uit de nis en slingerde het weg: 'Als wij niet allemaal hierin kunnen, dan Zij ook niet!' Maar dan schoot plots een brede bliksemstraal uit de hemel neer, en onder een vreselijke donderknal kraakte de kapel in stukken: alle houthakkers vonden er de plotselinge dood. Nadien verzonk de kapel geheel weg in de bodem, en liet een put (gat) achter, waarvan men de rest nog enigermate kan zien. Het beeldje zou later teruggevonden zijn, geheel gaaf, en men plaatste het in een ander kapelletje aan de Vlootbeek.
Beschrijving
Bron
Motief
Q411.11 - Death as punishment for desecration of holy places (images, etc.).   
Q558.5 - Man in anger throws stone at the image of the Virgin.   
Q221.3 - Blasphemy punished.   
Q552.1 - Death by thunderbolt as punishment.   
Commentaar
te vinden in Krekelberg, in Limburger Koerier, 1926
en in de rubriek "Uit Midden-Limburg", in: Limburger Koerier, za. 9-8-1924
Naam Overig in Tekst
Putbroek   
Vlootbeek   
Maria   
Onze Lieve Vrouw van de Zeven Weeën   
Naam Locatie in Tekst
Echt   
