Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VVUNL346 - Een zoet gezelschap in een Limburgse herberg

Een sage (almanak), zaterdag 05 november 1910

Default_close_up_of_a_Fire_Ghost_luminated_ghost_in_motion_tra_3.jpg

Hoofdtekst

Een zoet gezelschap in een Limburgse herberg

In de winter zat op een avond een zoet gezelschap vergaderd in de keuken van een herberg in een onzer Limburgse dorpen. Het was de burgemeester, een wethouder, de koster-onderwijzer-organist, nog een paar boeren en achteraf zat een jongen van een zestien jaar. Deze laatste wist blijkbaar geen andere, hem meer passende plaats om de winteravond door te brengen en was zo toevallig bij het oudere gezelschap terechtgekomen. De gebeurtenissen van de dag waren al gauw afgehandeld en zo kwam het gesprek al spoedig op ouderwetse wijze terecht op het eindeloze hoofdstuk der vroegere dorpsavondgesprekken, namelijk op spoken en heksen. 'Nu we daarvan spreken,' zei een der boeren, 'moet ik jelui eens vertellen, wat voor een paar maanden in Meerssen gebeurd is. Ik ben er de vorige week geweest, zoals je weet. Daar was in 't laatst van de herfst een man gestorven, die beschuldigd werd op onrechtvaardige wijze zich meester gemaakt te hebben van andermans grond; hij zou nl. de palen verlegd hebben. Hij was juist op tijd gestorven, want de zaak was voor de rechter gebracht en hij zou zeker gestraft zijn geworden. Nu heeft daar heel de winter een geest, een witte geest, door het veld gedwaald bij nacht en ontijd. En zij, die toevallig bij hem uitliepen, hadden bij klare maneschijn gezien, dat hij met beide handen een stenen paal droeg en zij hadden gehoord dat hij eindeloos herhaalde: wooe lèg ich hum, wooe lèg ich hum. Het hele dorp was er vol van en niemand durfde in de avond meer door het veld gaan, zo bang was iedereen voor de witte geest. Algemeen ging het gerucht, dat het de geest zou zijn van de onrechtvaardige paalverzetter, die in de herfst gestorven was en geen rust kon vinden in het graf. Dat had zo geduurd de hele voorwinter.
Enige dagen na nieuwjaar komt Tijs, de smid van Rothem, in Meerssen. Hij was met rekeningen rond geweest. Hij had veel geld gebeurd en zoals het dan gewoonlijk gaat, hij had veel dropkes en glaaskes bier leeggemaakt. Nu, dat deed Tijs niets, want Tijs is een kerel als een reus, ijzersterk. Misschien was hij door die dropkes wel wat licht van hoofd geworden. De herbergsvrouw zei hem toen hij laat in de avond naar huis ging: "Tijs, houd de grote weg. Je weet wel, in het veld zwerft 's avonds en 's nachts die geest". – "Doet niks," zei Tijs. "Ik ben der niks bang voor. Hij zal me niet opeten." – "Ja, maar hij loopt met een stenen paal," zei de vrouw. – "En ik mit eine beslage kuul. Als hij wil, kan hij komen; we zullen zien wie de sterkste is. Ik ga door het veld, goedenavond." – Toen Tijs in het veld kwam, zag hij waarachtig dadelijk de witte geest. Hij huiverde wel even, maar hij pakte zijn beslagen mispelstok goed vast in zijn stevige knuisten en ging zijns weegs. Daar nadert hem de geest tot op tien passen afstand. En aldoor zegt hij: "wooe lèg ich hum, wooe lèg ich hum, wooe lèg ich hum?" "Lèg hum wooeste hum hubs gekrieege," zegt Tijs. En pas heeft hij die woorden uit zijn mond, of daar vliegt de geest van hem weg en Tijs zag hem niet meer. Niemand heeft hem daarna nog gezien. Maar wel zag men 's anderendaags de stenen paal op zijn oude plaats in de akker en op de steen zag men zwarte vlekken. Daar had hem de geest vastgehad met gloeiende vingers.'
'Dat kan ook nog waar zijn,' zei Mathies en zette zijn aarde pijpje van rechts naar links in zijn mond.
'Neen, dat is zeker waar,' zei de verteller. 'Tijs de smid heeft het me de vorige week zelf verteld.'
'Dae alles gluift is eine gek,' zei de koster.
'En dae niks gluift, dae doug neet,' zei de burgemeester. 'Maar als dat ook waar is, dan zie ik daar nog geen reden in om bang te zien.'
'Ik ook niet,' zei de veldwachter en greep met zijn rechterhand neer zijn linkerzijde, waar op hoge feestdagen zijn sabel hangt.
'Neen,' zei de burgemeester, 'bang ben ik voor niets en allerminst voor geesten. Wat is een geest? 't Is immers maar een schijn, een wind, 't heeft geen lichaam, geen armen en benen, en kan ons dus niks doen.'
'Maar die geest uit het Meerssenerveld droeg toch een stenen paal en liep door het veld; dat was dus wel een geest met armen en benen,' zei Mathies.
'En dan zou ik er nog niet bang voor zijn, als ik een beslagen mispelstok had,' zei de burgemeester.
'Of sabel en geweer,' zei de veldwachter. 'Ik wed dat hij voor de knal van het geweer al uit de weg ging.'
Ze waren 't allemaal eens: bang behoefden ze niet te zijn en bang waren ze ook niet. Toch dronken ze, toen ze die avond naar huis gingen, een paar dropkes. Dat waren ze anders niet gewoon.
De kwajongen, die we straks achteraf zagen zitten in een hoek, was een uur voor het andere gezelschap naar huis gegaan. De overigen hadden mekaar een oogje geknipt. Ze begrepen waarom. Hij was bang geworden voor de geest door al die vertelselkes. Ja ja, zo waren ze ook geweest, toen ze nog jong waren.
Eindelijk gaat de burgemeester opstappen en de veldwachter en de koster en de wethouder en de boeren. Ze gaan samen uit. Dat deden ze anders nooit. Hun weg leidde langs de kerk en het kerkhof, dat eromheen lag. Het was heldere maneschijn. Je kon het graf zien, waar de oude juffrouw van het kasteel voor een paar dagen begraven was, zo klaar was het. Ja, dat was raar gegaan met die juffrouw en haar testament. Ze had alles vermaakt aan haar rentmeester. De nichten en neven kregen niets. Dat was wel niet in de haak, meende men. Want die zalig wil sterven, moest zijn goed de naaste familie laten erven. Maar de juffrouw was toch baas van haar goed. Zij kon erover beschikken naar goeddunken. Maar toch... Wat was dat? Een witte gedaante op het kerkhof bij het verse graf in de schaduw van de toren. Hu!
't Gesprek is opeens uit. Ze dringen op mekaar. En na de eerste schrik stappen ze zacht, maar toch met grote schreden voort, zwijgend voort. Daar zien ze ook zwarte gedaanten op de witte muur om de pastorietuin. Hu! Neen, dat zien ze toch, dat is hun eigen schaduw, die is zwart. Maar wat ze op het kerkhof zagen, was niet zwart. Dat was geen schaduw. Dat was wit, een witte geest. Dat was de witte geest van de oude juffrouw van het kasteel.
Des anderdaags was het hele dorp er vol van, het spookte op het kerkhof.
En 's anderdaagsavonds zat de herbergier aan de kerk, die anders elke avond een zoet gezelschap in zijn keuken vergaard zag, met zijn vrouw alleen bij de haard. Ze hadden poort en deur zorgvuldig gesloten aan de straatzijde, want ze woonden zo dichtbij kerk en kerkhof en je kon nooit weten. Daar was nog wel gelegenheid om door een achterdeur van de veldzijde binnen te komen. En die lieten ze ook maar openstaan. Er mocht eens een gast komen. Maar daar kwam niemand
Overdag was van de geest niets te bemerken, natuurlijk niet.
De veldwachter had overdag het kerkhof aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen, maar hij had niets verdachts gevonden.
Wel meende hij een schoenafdruk te bespeuren, vlak bij het graf van de oude juffrouw. Maar daar was niets uit af te leiden. Hij kon van een gewoon mens zijn. Misschien ook wel van de geest.
Het veldwachterlijk verstand zag in dat een geest die nachtelijke rondwandelingen doet, benen en voeten moet hebben en ook wel schoenen kon dragen. Ook had hij de burgemeester voorgesteld de dorpsschutterij op te roepen, te wapenen met buksen en ganzeroeren en oude fransozen, en zo de geest met wapengeweld te verjagen. Maar de burgemeester had hem gevraagd of hij dronken of krankzinnig was. 'Biste zaat of biste stapelgek?' vroeg hij. Ten eerste was het zeker dat geen enkele schutter, hoe dapper overigens de dorpsschutters zijn, aan de oproep zou gehoorzamen. Ten tweede hadden wijze mensen het steeds voor een wraakroepend feit gehouden, een geest te tergen. Integendeel, men moest zich maar stilhouden en wegblijven van de plaats. Dan zou de geest wel spoedig verdwijnen.
Zo deden ook de dorpelingen. Zo gauw het avond werd, was er geen sterveling meer te zien op de straat langs kerk en kerkhof. Deuren en vensterblinden waren gesloten. Zo had de geest weinig genoegen van zijn nachtelijke vertoningen; maar wie nu ver-wachtte dat hij na een paar avonden naar het oneindige zou zijn afgedeinsd, die bedroog zich. Want wie uit een verborgen hoekje, door een kier van een poort of venster naar het kerkhof tuurde, die zag hem daar ook nog de derde en vierde avond een-zaam wandelen op het kerkhof om het graf van de oude juffrouw.
Het bangst was de zestienjarige jongen, die we in de herberg zagen zitten in een hoekje achteraf en die een uur voor die oude-re gasten uit was gegaan, bang geworden door het vertelsel van de geest van Meerssen. Die durfde overdag nog niet omtrent het kerkhof komen, zo'n held. Eindelijk op een zaterdagavond kwam de veldwachter van Maastricht. Hier en daar had hij eens aangelegd en kwam zonder aan de geest te denken aan de ons bekende herberg. Buitendeur gesloten. Hij klopt, klopt twee-, drie-, viermaal. Eindelijk klinkt een bedeesd vragen: 'Wae is dao?' En als men de stem des veldwachters herkent, dan durft men. Hij komt binnen. En een paar borreltjes en nog een paar; nu zal 't 'm over heen gaan; hij wil dan toch eens laten zien dat hij durft. Hij heeft niet eens geweer en sabel. Hij durft ook wel alleen met de mispelstok. Nog eens het pijpje gestopt en aangemaakt en dan zwaaiende met zijn stok gaat het in de richting van het kerkhof. Daar nadert de geest, de witte geest; het pleit zal beslist worden. Woedender zwaait de politieman zijn stok, maar treft onhandig genoeg zijn pijpje, zodat tabak en vuur eruit vliegen. Dat ziet de geest voor het ketsen van een vuurwapen aan. En nu is het zijn tijd. Vliegensvlug ijlt hij het kerkhof af, het veld in. Maar de veldwachter, die zijn moed voelt groeien, hem na, zwaaiend met zijn stok. Doch hij kan de geest niet inhalen. Deze holt door veld en weide en stormt achterom de achterdeur binnen der herberg en daar de duistere kamer in. De herbergier heeft hem bemerkt vanuit de keuken. En hij wil ernaar toe – maar zijn vrouw houdt hem vast. Maar hij rukt zich los en neemt de kachelpook en rukt de kamerdeur open, en roept: 'ich wil wete wae's te bis.' En dan weer naar de keuken. Deur dicht. En dan weer aan de kamerdeur, roepend: 'ich wil wete wae's te bis.' Dat is de hoogste uiting van zijn moed. Daar komt de veldwachter. 'Waar is de geest? Hij is gevlucht, gevlucht voor mij. Waar is hij?' 'Hier in de kamer,' klinkt het antwoord.
De geest, die wanhopige pogingen gedaan heeft om door de straatvensters weg te komen, valt in de armen van de man der wet. Hij is nu dra ontmaskerd. Hij wordt voor de burgemeester geleid. Een strenge strafpredikatie en een boete te betalen voor de armen, dat is zijn genadige straf.
Wie was het? Onze zestienjarige snaak had op die manier zijn achtbare medeburgers een dodelijke angst op het lijf gejaagd. Onze zestienjarige is nu een man van zesenzeventig jaren. Hij heeft sedert nooit weer zulke grappen uitgehaald. Maar nog verhaalt hij gaarne, hoe hij in zijn jonge jaren eens voor spook gespeeld heeft.

Beschrijving

In Meerssen spookte een grenspalenverzetter en Tijs de smid gaat op een avond uit de kroeg komend de confrontatie aan en zegt hem te leggen waar hij hem gehaald heeft; daarmee is het spook verlost. Door dit verhaal zijn de kroeggangers een beetje bang en zien op het kerkhof een spook. Achteraf blijkt het een 16-jarige knul te zijn, die de kroeggangers wilde laten schrikken.

Bron

Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 185-190 N°11.3

Motief

E273 - Churchyard ghosts.    E273 - Churchyard ghosts.   

K1833 - Disguise as ghost.    K1833 - Disguise as ghost.   

Commentaar

5 november 1910
J.A. Hoens, "Kijkjes in Limburg", afl. 281 in: Limburger Koerier, za. 5-11-1910

Naam Overig in Tekst

Limburgse    Limburgse   

Tijs    Tijs   

Naam Locatie in Tekst

Meerssen    Meerssen   

Rothem    Rothem   

Maastricht    Maastricht   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22