Hoofdtekst
De derde visser
Twee mannen uit Wijk-Maastricht hadden samen afgesproken om 's nacht 'opzink' te gaan vissen aan het Papenwater, dat in de Maas uitloopt.
's Avonds om tien uur begaven zij zich daarheen en zagen daar een pont, waarmede de boeren van St. Pieter groenten, mest en andere dingen over de Maas voerden. Zij besloten daarin te gaan zitten, en namen in het midden plaats, vlak naast elkaar.
Zij konden daar een paar uur gezeten hebben, zeer in beslag genomen door hun bedrijf, toen een van beide vissers opkeek en hem het bloed als het ware in de aderen stolde. Toevallig keek de andere ook even op, en hij onderging dezelfde gewaarwording.
De een begon de ander bij zijn voornaam te noemen, en ze stoot-ten elkaar aan, zonder zich daarbij veel te durven bewegen. Het zweet gutste hun langs het hoofd en over de rug.
'Zie je het niet?' waagde de een te zeggen.
De ander knikte even bevestigend met het hoofd.
Ze beproefden beiden om het vistuig in de steek te laten, uit de pont aan land te springen en dan weg te lopen, maar het was of ze versteend waren en iets hen op de plek vasthield.
Ten laatste durfde de een toch te zeggen: 'Dat is niet zuiver, want dan had hij ons toch moeten passeren en ik heb niets gemerkt. Hij kan toch niet langs ons beiden door!'
Wat de beide vissers zo in angst bracht, was een derde visser, die plots even na middernacht, op de spits van de pont had plaats genomen. Zij konden echter niet verklaren, hoe die er was gekomen, daar de pont ook niet had geschommeld, zoals ze dat doet wanneer er iemand op springt. Vandaar hun redelijke angst.
Ze moesten er dus blijven zitten. Eindelijk tegen dat het één uur kon slaan, stond de zwarte gedaante langzaam op en kwam op hen af, om de pont te verlaten. De moedigste van de twee vissers had toen de durf, dat vreemde wezen vlak in het gelaat te kijken. Maar welk gezicht dat deze had, kon hij niet zeggen. Zijn gezicht leek op 'spinnegeweef', antwoordde hij, toen zijn kameraad hem ernaar vroeg.
Nauwelijks was die geheimzinnige visser aan land verdwenen, of de vissers lieten vistuig en alles in de steek en liepen wat ze lopen konden naar huis.
Maar nooit meer zijn zij 's nachts gaan vissen.
Twee mannen uit Wijk-Maastricht hadden samen afgesproken om 's nacht 'opzink' te gaan vissen aan het Papenwater, dat in de Maas uitloopt.
's Avonds om tien uur begaven zij zich daarheen en zagen daar een pont, waarmede de boeren van St. Pieter groenten, mest en andere dingen over de Maas voerden. Zij besloten daarin te gaan zitten, en namen in het midden plaats, vlak naast elkaar.
Zij konden daar een paar uur gezeten hebben, zeer in beslag genomen door hun bedrijf, toen een van beide vissers opkeek en hem het bloed als het ware in de aderen stolde. Toevallig keek de andere ook even op, en hij onderging dezelfde gewaarwording.
De een begon de ander bij zijn voornaam te noemen, en ze stoot-ten elkaar aan, zonder zich daarbij veel te durven bewegen. Het zweet gutste hun langs het hoofd en over de rug.
'Zie je het niet?' waagde de een te zeggen.
De ander knikte even bevestigend met het hoofd.
Ze beproefden beiden om het vistuig in de steek te laten, uit de pont aan land te springen en dan weg te lopen, maar het was of ze versteend waren en iets hen op de plek vasthield.
Ten laatste durfde de een toch te zeggen: 'Dat is niet zuiver, want dan had hij ons toch moeten passeren en ik heb niets gemerkt. Hij kan toch niet langs ons beiden door!'
Wat de beide vissers zo in angst bracht, was een derde visser, die plots even na middernacht, op de spits van de pont had plaats genomen. Zij konden echter niet verklaren, hoe die er was gekomen, daar de pont ook niet had geschommeld, zoals ze dat doet wanneer er iemand op springt. Vandaar hun redelijke angst.
Ze moesten er dus blijven zitten. Eindelijk tegen dat het één uur kon slaan, stond de zwarte gedaante langzaam op en kwam op hen af, om de pont te verlaten. De moedigste van de twee vissers had toen de durf, dat vreemde wezen vlak in het gelaat te kijken. Maar welk gezicht dat deze had, kon hij niet zeggen. Zijn gezicht leek op 'spinnegeweef', antwoordde hij, toen zijn kameraad hem ernaar vroeg.
Nauwelijks was die geheimzinnige visser aan land verdwenen, of de vissers lieten vistuig en alles in de steek en liepen wat ze lopen konden naar huis.
Maar nooit meer zijn zij 's nachts gaan vissen.
Beschrijving
Twee mannen, die 's nachts zitten te vissen, zien om middernacht plots een derde visser, die ze niet hebben zien komen en die om één uur even geheimzinnig weer verdwijnt.
Bron
Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 195 N°11.7
Motief
Q223.6.3* - Punishment for fishing on Sunday.   
E587.5 - Ghost walk at midnight.   
Commentaar
1920
Limburgs Leven jg. 1, afl. 37 (31-12-1920)
Naam Overig in Tekst
Papenwater   
St. Pieter   
Naam Locatie in Tekst
Wijk   
Maastricht   
Maas   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
