Hoofdtekst
St.-Pietersberg
In de tijd dat de Maas nog zo breed en zo diep was, dat zij een zeer geschikte waterweg vormde voor de nijvere en zwaarbeladen schepen uit vele nabuurlanden, leefden er, niet ver van de jonge havenstad die later haar naam aan de rivier zou ontlenen, een reus en een reuzin die 's nachts, plunderend de verdwaalde, rondzwierven door de uitgestrekte bossen, maar overdag, op de loer liggend, zich verscholen hielden in het hoge, groene riet van de oever. Zodra dan een gunstige wind het roeigeluid van naderende galeien of barken overdroeg, hief, verborgen, de reuzin een weemoedig-fijn lied aan dat als een zoete verlokking zacht golfde naar de onbedachtzaamheid der opvarenden, in hen wekkend het onontkoombaar verlangen om te troosten en te beminnen. De riemen vielen stil, luisterend, en langzaam het schegbeeld wendde zijn verguld vrouwengelaat naar de plek, vanwaar zacht en zuiver de zang opwelde als een vreemde bron van bekoring. Onverwacht dan voor de gretige ogen der schepelingen rees uit het pluimend riet het wonderschone lichaam der reuzin, die verleidend wenkend week achteruit, naar de blauwige schemer van het bos.
Bang dat de hevig-blanke ontkomen zou, de riemen rezen en daalden weer en fel op de maat van de begeerte der mannen. Maar niet zodra hadden dezen de oever bereikt of, grimmig en dreigend, iets verder verhief zich de monsterachtige gedaante van de reus, die plotseling een zo grote steen slingerde op het schip dat het kreunend en krakend in tweeën spleet. Woest van een dierlijke pret, de reus moordde dan de gehele bemanning uit, roofde de kostbare ladingen en ruimde snel en onberispelijk de zwarte wrakstukken op, zodat zeer spoedig weer het water van de Maas wiegde, rustig en schuldeloos, tussen de ver van elkaar liggende oevers.
Vele en waardevolle offers van sieraden en jonge dieren waren reeds opgedragen op de gewijde stenen altaren in de stad en daarbuiten; ontelbare processies en smeekfeesten waren reeds gehouden in de tempels der talrijke goden en godinnen om van hen bescherming te verkrijgen tegen het rampzalige reuzenpaar.
Alles echter tevergeefs!
En zoals bevreesde ouders alle aangeraden middelen aanwenden om hun arme kind van zijn slepende en langzaam ondermijnende ziekte te verlossen, zo liet ook het vroede stadsbestuur, in samen-werking met de talloze priesters en priesteressen, geen middel onbeproefd om, hoe dan ook, een einde te maken aan deze voort-durende en voor de welvaart fnuikende kwelling.
Zo gebeurde het dat op een drukkende juli-avond een grijsaard zich losmaakte uit het bonte gewoel en zich bij de deftige ma-gistraat aanmeldde, verzekerend dat het hem, door de kracht van zijn nog onbekende, maar machtige god, gegeven zou zijn de stad en de scheepvaart van het gevaar der reuzen te bevrijden.
Na veelvuldige en natuurlijk langdurige beraadslagingen gaf de magistraat aarzelend toe, vragend voorzichtig naar de voorwaarden. De oude man glimlachte vriendelijk en zei dat hij slechts een vaartuig behoefde met een kleine bemanning.
De volgende dag reeds, tegen de tijd dat de zon als een verwelkte rode anjelier boven de donkere westerbossen hing, meerde een kleine, grauwe bark los van de kade, traag wegdeinend van de ademloze spanning der ontelbare nieuwsgierigen, en achter zich aan trekkend een lange wigvormige voor, waarin de zon onrustig rosgouden vlekken wierp.
Zwijgend scheurden de roeiers de riemen door het late water, zwijgend, en bevreesd voor het reeds vaag en ver naderend lied der verleidster. Steeds duidelijker omhulden zoet de weemoedige klanken hun angstig hart, en weldra, op bevel van de grijsaard die stond voor op de plecht, de bark wendde traag de boeg naar de oever.
Recht in haar wondervolle blankheid, zacht en teer in de warme avondschijn, de reuzin rees op, wijkend en lokkend.
De riemen striemden scherp het riet; golven sloegen hun verhaaste slag tegen het schip; en onverwacht, de reus stond voor hen, heffend de rots zwaar en dreigend boven zijn hoofd. . .
Op datzelfde ogenblik echter, de grijsaard spreidde biddend zijn armen; en alsof een onzichtbare bliksem de reus getroffen had midden in het brute hart, zo vlood plots alle kracht uit zijn handen en de steen plofte omlaag, recht op zijn hoofd, vermorzelend zijn zware lichaam dat met een donkere slag viel in het riet, bewegingloos.
En terwijl de bark met de oude man, die zich Sint-Pieter noemde en afgezant van de Ene God, snel en blij de brede rivier afvoer, een bundige vreugde en nieuw, schoon geloof verspreidend in de stad, naderde jammerend en misbaar makend de reuzin het verbrijzelde lichaam van haar echtgenoot. Vijf dagen en vijf nachten bleef zij treurend en peinzend waken bij de dode; toen stond zij op, overdekte zwijgend de steen met vochtig zand en bereidde zich door geheimzinnige bezweringen voor op de volvoering van haar wraak. In de zevende nacht nu, terwijl de bewoners der stad rustten van de lange en vermoeiende feesten, ging zij, gehuld in een zwarte sluier, door de slapende straten, uitstrooiend een poeder dat, door zijn afkomst en duivelse samenstelling, pest en verderf moest veroorzaken. En de volgende morgen reeds, uit alle steegjes en straten, geweeklaag steeg op om een onvoorziene dood van ouder of kind, en naarmate de dag schroeiend vorderde, kromp de uitzinnige smart in tot een algemeen en troosteloos gekreun van besmetten. Honderdtallen liepen stervend langs de huizen en vielen plots neer stuiptrekkend en klagend, de lucht met ellende en besmetting vervullend. En zij die nog niet geraakt waren, vluchtten heen zonder omzien, bang voor de dood die broeide boven de stad. Zielloos weldra, lag onbewoond de stad. Alleen de reuzin, de verleidster en verdelgster, zat roerloos bij de grafsteen van haar dode, uitstarend droef over de speels rimpelende watervlakte. Maar de God, die de stad bevrijd had van de reus, zag met leedwezen hoe het eens zo schone en welvarende land nu leeg lag en woest. En hij beval aan de vloeden der zee de Maas te overvloeien en aan de Maas gaf hij het bevel uit te stromen over het dode land. Gehoorzaam, het water steeg en steeg immer breder, immer hoger, overdekkend de velden en de bossen en immer woester met zich meeslepend het gele slik der verre zee. Exotische planten en vreemde, grote dieren dreven aan, stikkend in het kolkende, groezelige water. En toen na honderd jaren de god het water der zee terugriep, was onherkenbaar geworden het land. Smal vloeide de Maas kronkelend langs de vreemde, vettige oevers; en waar eerst de steen lag en de reus, daar had zich hoog en breed een heuvel gevormd te midden van rondom deinende contreien. Vreemde mensen, in het zuiden geboren, bouwden witte woningen in het zingende land en bevolkten het. En zoals zij aan de kinderen de namen gaven van de vader die ze geschapen had, zo noemden zij de heuvel naar de grijsaard Sint-Pieter, die de reus overwonnen had, want onder hen bleef leven het verhaal van het vroeger gebeurde. Maar toen na vele jaren de geschiedenis vervaagd was tot een bekoorlijke geheimzinnigheid, toen ontwaakte wild de nieuwsgierigheid. En de mensen uit de stad gingen gangen graven in de berg, op zoek naar de grote steen, niet vermoedend dat deze, die het begin was geweest van de heuvel, gevonden, er het einde van zou betekenen. Eeuw na eeuw groeven zij en hun kinderen en de kinderen van dezen, en immer talrijker vonden zij grillige versteningen van oeroude planten en dieren, doch de steen vonden zij niet. Totdat de mens, machtig en gevoelloos geworden als een machine, de berg deed huiveren en krimpen voor zijn brute kracht. Toen kon de heuvel zijn geheim niet langer bewaren; en op een lege middag lag onverwacht, bruin en hoekig, de steen naakt in de witte wand. Als een waardeloze tropee werd hij zonder vreugde gedragen naar een verafgelegen, antiek plein, waar nu nog velen de steen komen bezichtigen, koel en gedachteloos, onbekend met zijn oude en wondere geschiedenis.
In de tijd dat de Maas nog zo breed en zo diep was, dat zij een zeer geschikte waterweg vormde voor de nijvere en zwaarbeladen schepen uit vele nabuurlanden, leefden er, niet ver van de jonge havenstad die later haar naam aan de rivier zou ontlenen, een reus en een reuzin die 's nachts, plunderend de verdwaalde, rondzwierven door de uitgestrekte bossen, maar overdag, op de loer liggend, zich verscholen hielden in het hoge, groene riet van de oever. Zodra dan een gunstige wind het roeigeluid van naderende galeien of barken overdroeg, hief, verborgen, de reuzin een weemoedig-fijn lied aan dat als een zoete verlokking zacht golfde naar de onbedachtzaamheid der opvarenden, in hen wekkend het onontkoombaar verlangen om te troosten en te beminnen. De riemen vielen stil, luisterend, en langzaam het schegbeeld wendde zijn verguld vrouwengelaat naar de plek, vanwaar zacht en zuiver de zang opwelde als een vreemde bron van bekoring. Onverwacht dan voor de gretige ogen der schepelingen rees uit het pluimend riet het wonderschone lichaam der reuzin, die verleidend wenkend week achteruit, naar de blauwige schemer van het bos.
Bang dat de hevig-blanke ontkomen zou, de riemen rezen en daalden weer en fel op de maat van de begeerte der mannen. Maar niet zodra hadden dezen de oever bereikt of, grimmig en dreigend, iets verder verhief zich de monsterachtige gedaante van de reus, die plotseling een zo grote steen slingerde op het schip dat het kreunend en krakend in tweeën spleet. Woest van een dierlijke pret, de reus moordde dan de gehele bemanning uit, roofde de kostbare ladingen en ruimde snel en onberispelijk de zwarte wrakstukken op, zodat zeer spoedig weer het water van de Maas wiegde, rustig en schuldeloos, tussen de ver van elkaar liggende oevers.
Vele en waardevolle offers van sieraden en jonge dieren waren reeds opgedragen op de gewijde stenen altaren in de stad en daarbuiten; ontelbare processies en smeekfeesten waren reeds gehouden in de tempels der talrijke goden en godinnen om van hen bescherming te verkrijgen tegen het rampzalige reuzenpaar.
Alles echter tevergeefs!
En zoals bevreesde ouders alle aangeraden middelen aanwenden om hun arme kind van zijn slepende en langzaam ondermijnende ziekte te verlossen, zo liet ook het vroede stadsbestuur, in samen-werking met de talloze priesters en priesteressen, geen middel onbeproefd om, hoe dan ook, een einde te maken aan deze voort-durende en voor de welvaart fnuikende kwelling.
Zo gebeurde het dat op een drukkende juli-avond een grijsaard zich losmaakte uit het bonte gewoel en zich bij de deftige ma-gistraat aanmeldde, verzekerend dat het hem, door de kracht van zijn nog onbekende, maar machtige god, gegeven zou zijn de stad en de scheepvaart van het gevaar der reuzen te bevrijden.
Na veelvuldige en natuurlijk langdurige beraadslagingen gaf de magistraat aarzelend toe, vragend voorzichtig naar de voorwaarden. De oude man glimlachte vriendelijk en zei dat hij slechts een vaartuig behoefde met een kleine bemanning.
De volgende dag reeds, tegen de tijd dat de zon als een verwelkte rode anjelier boven de donkere westerbossen hing, meerde een kleine, grauwe bark los van de kade, traag wegdeinend van de ademloze spanning der ontelbare nieuwsgierigen, en achter zich aan trekkend een lange wigvormige voor, waarin de zon onrustig rosgouden vlekken wierp.
Zwijgend scheurden de roeiers de riemen door het late water, zwijgend, en bevreesd voor het reeds vaag en ver naderend lied der verleidster. Steeds duidelijker omhulden zoet de weemoedige klanken hun angstig hart, en weldra, op bevel van de grijsaard die stond voor op de plecht, de bark wendde traag de boeg naar de oever.
Recht in haar wondervolle blankheid, zacht en teer in de warme avondschijn, de reuzin rees op, wijkend en lokkend.
De riemen striemden scherp het riet; golven sloegen hun verhaaste slag tegen het schip; en onverwacht, de reus stond voor hen, heffend de rots zwaar en dreigend boven zijn hoofd. . .
Op datzelfde ogenblik echter, de grijsaard spreidde biddend zijn armen; en alsof een onzichtbare bliksem de reus getroffen had midden in het brute hart, zo vlood plots alle kracht uit zijn handen en de steen plofte omlaag, recht op zijn hoofd, vermorzelend zijn zware lichaam dat met een donkere slag viel in het riet, bewegingloos.
En terwijl de bark met de oude man, die zich Sint-Pieter noemde en afgezant van de Ene God, snel en blij de brede rivier afvoer, een bundige vreugde en nieuw, schoon geloof verspreidend in de stad, naderde jammerend en misbaar makend de reuzin het verbrijzelde lichaam van haar echtgenoot. Vijf dagen en vijf nachten bleef zij treurend en peinzend waken bij de dode; toen stond zij op, overdekte zwijgend de steen met vochtig zand en bereidde zich door geheimzinnige bezweringen voor op de volvoering van haar wraak. In de zevende nacht nu, terwijl de bewoners der stad rustten van de lange en vermoeiende feesten, ging zij, gehuld in een zwarte sluier, door de slapende straten, uitstrooiend een poeder dat, door zijn afkomst en duivelse samenstelling, pest en verderf moest veroorzaken. En de volgende morgen reeds, uit alle steegjes en straten, geweeklaag steeg op om een onvoorziene dood van ouder of kind, en naarmate de dag schroeiend vorderde, kromp de uitzinnige smart in tot een algemeen en troosteloos gekreun van besmetten. Honderdtallen liepen stervend langs de huizen en vielen plots neer stuiptrekkend en klagend, de lucht met ellende en besmetting vervullend. En zij die nog niet geraakt waren, vluchtten heen zonder omzien, bang voor de dood die broeide boven de stad. Zielloos weldra, lag onbewoond de stad. Alleen de reuzin, de verleidster en verdelgster, zat roerloos bij de grafsteen van haar dode, uitstarend droef over de speels rimpelende watervlakte. Maar de God, die de stad bevrijd had van de reus, zag met leedwezen hoe het eens zo schone en welvarende land nu leeg lag en woest. En hij beval aan de vloeden der zee de Maas te overvloeien en aan de Maas gaf hij het bevel uit te stromen over het dode land. Gehoorzaam, het water steeg en steeg immer breder, immer hoger, overdekkend de velden en de bossen en immer woester met zich meeslepend het gele slik der verre zee. Exotische planten en vreemde, grote dieren dreven aan, stikkend in het kolkende, groezelige water. En toen na honderd jaren de god het water der zee terugriep, was onherkenbaar geworden het land. Smal vloeide de Maas kronkelend langs de vreemde, vettige oevers; en waar eerst de steen lag en de reus, daar had zich hoog en breed een heuvel gevormd te midden van rondom deinende contreien. Vreemde mensen, in het zuiden geboren, bouwden witte woningen in het zingende land en bevolkten het. En zoals zij aan de kinderen de namen gaven van de vader die ze geschapen had, zo noemden zij de heuvel naar de grijsaard Sint-Pieter, die de reus overwonnen had, want onder hen bleef leven het verhaal van het vroeger gebeurde. Maar toen na vele jaren de geschiedenis vervaagd was tot een bekoorlijke geheimzinnigheid, toen ontwaakte wild de nieuwsgierigheid. En de mensen uit de stad gingen gangen graven in de berg, op zoek naar de grote steen, niet vermoedend dat deze, die het begin was geweest van de heuvel, gevonden, er het einde van zou betekenen. Eeuw na eeuw groeven zij en hun kinderen en de kinderen van dezen, en immer talrijker vonden zij grillige versteningen van oeroude planten en dieren, doch de steen vonden zij niet. Totdat de mens, machtig en gevoelloos geworden als een machine, de berg deed huiveren en krimpen voor zijn brute kracht. Toen kon de heuvel zijn geheim niet langer bewaren; en op een lege middag lag onverwacht, bruin en hoekig, de steen naakt in de witte wand. Als een waardeloze tropee werd hij zonder vreugde gedragen naar een verafgelegen, antiek plein, waar nu nog velen de steen komen bezichtigen, koel en gedachteloos, onbekend met zijn oude en wondere geschiedenis.
Beschrijving
Een reuzenechtpaar maakte vroeger, toen de Maas nog diep en breed was, de rivier onveilig; zij lokte de schepen met haar gezang en fraaie uiterlijk en de reus moordde de bemanning uit. Het stadsbestuur zocht een oplossing, echter vergeefs tot een grijsaard zich meldt, Sint Pieter, die met zijn gebed de reus doet neerstorten. De reuzin neemt wraak door een pest over de stad te laten neerdalen en de mensen vluchtten weg. Toen liet God de verlaten stad overstromen, wel honderd jaar, en er kwamen daarna nieuwe bewoners, die de berg naar Sint Pieter noemden en er gangen in groeven tot ze tenslotte de grote steen vonden, die nu nog te zien is op een antiek plein.
Bron
Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 195-199 N°11.8
Motief
B53 - Siren.   
F531.3.2 - Giant throws a great rock.   
Q552.10 - Plague as punishment.   
A1015 - Flood caused by gods or other superior beings.   
A969.1 - Mountain from buried giant.   
Commentaar
voor 1941
Lou Maas, in: Limburg jg. 22 N°3 (febr. 1941), 64-67
Naam Overig in Tekst
Sint Pieter   
Naam Locatie in Tekst
Maas   
(Maastricht)   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
