Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ZEEUW006 - Meerminnen

Een sage (boek), 1923 - 1932

Hoofdtekst

Meerminnen

Men seght dat op de plaets daer
Rammekens nu staet
Cerenen zijn geweest, die deden
Niemandt quaet.
Maer wierden veer gehoort in
Zee, wanneer ze queelden,
En met heer soet geluyt als In-
Strumenten speelden:
Daer woonden Najades, en niet als
Water-Goon,
Men sach daer nimmer Mensch
Men hoort geen Beestentoon.

Deze cerenen (sirenen) en najades zijn niets anders dan onze zeemeerminnen, maar de dichter speelde graag met klassieke woorden; zijn eigen naam verfraaide hij tot Casparus Wachtendorpius.

Beschrijving

Daar, waar thans Rammekens staat, waren sirenen, die van ver op zee te horen waren, als ze zongen. Volgens Sinninghe gaat het hier om zeemeerminnen.

Bron

J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 9

Commentaar

voor 1933
Wachtendorp, Rijmkroniek, 13a

Naam Overig in Tekst

Rammekens    Rammekens   

Najades    Najades   

Casparius Wachtendorpius    Casparius Wachtendorpius   

Naam Locatie in Tekst

Cerenen    Cerenen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20