Hoofdtekst
Meerminnen
Men seght dat op de plaets daer
Rammekens nu staet
Cerenen zijn geweest, die deden
Niemandt quaet.
Maer wierden veer gehoort in
Zee, wanneer ze queelden,
En met heer soet geluyt als In-
Strumenten speelden:
Daer woonden Najades, en niet als
Water-Goon,
Men sach daer nimmer Mensch
Men hoort geen Beestentoon.
Deze cerenen (sirenen) en najades zijn niets anders dan onze zeemeerminnen, maar de dichter speelde graag met klassieke woorden; zijn eigen naam verfraaide hij tot Casparus Wachtendorpius.
Men seght dat op de plaets daer
Rammekens nu staet
Cerenen zijn geweest, die deden
Niemandt quaet.
Maer wierden veer gehoort in
Zee, wanneer ze queelden,
En met heer soet geluyt als In-
Strumenten speelden:
Daer woonden Najades, en niet als
Water-Goon,
Men sach daer nimmer Mensch
Men hoort geen Beestentoon.
Deze cerenen (sirenen) en najades zijn niets anders dan onze zeemeerminnen, maar de dichter speelde graag met klassieke woorden; zijn eigen naam verfraaide hij tot Casparus Wachtendorpius.
Beschrijving
Daar, waar thans Rammekens staat, waren sirenen, die van ver op zee te horen waren, als ze zongen. Volgens Sinninghe gaat het hier om zeemeerminnen.
Bron
J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 9
Commentaar
voor 1933
Wachtendorp, Rijmkroniek, 13a
Naam Overig in Tekst
Rammekens   
Najades   
Casparius Wachtendorpius   
Naam Locatie in Tekst
Cerenen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
