Hoofdtekst
Toovenaars.
Een goede zestig jaar geleden was Adriaan Louwerse de hewoner van een groote hoeve in de Noord-Kraayert, gemeente 's Heer Arendskerke.
Zijn zoon Jan vertelt dat er in zijn jeugd een van de arbeiders de zwarte kunst verstond.
Hij haalde menigen grap uit, en hoewel ze allemaal wel wat "scheef" stonden tegenover zijn kunst, waren ze toch niet bevreesd voor hem, want hij veroorzaakte nooit een bepaald onheil, hij hield ze alleen maar voor de gek.
Zoo hebben Jan en zijn broer "permentelijk" gezien, hoe hij, op hun verzoek, een flesch anijs door de lucht liet vliegen, vanuit een herberg in 's Heerenhoek naar de hoeve; en op een anderen keer een flesch brandewijn uit Wolfaartsdijk. De flesschen waren beiden onaangebroken en voorzien van een etiket met den naam van den kastelein.
't Was op een woensdagmorgen in het koude en gure voorjaar. Toen het drietal zich in de keete bij het houtvuur warmde, zei een van de jongens: "Ik wou dat ik een borrel had."
De knecht J. B. zei toen: "Welnu, wat wil je hebben? Zeg maar op."
"Een flesch anijs."
En daar heeft B. het bewijs geleverd, dat hij meer kon dan een gewoon mensch. Meer hangend dan zittend op zijn stoel en met het lichaam tegen de tafel leunend, geleek hij wel een doode. Bovendien scheen hij 't lange niet gemakkelijk te hebben en 't was maar goed, dat ze trouw zijn voorschrift opvolgden, om de deur op een kier te laten staan en er een steen tegen te leggen, want anders was 't slecht met hem afgeloopen, daar de uitgetogen geest dan niet meer het lichaam zou hebben kunnen bereiken. Evenmin mocht men hem aanraken, wat er ook gebeuren zou. Gelukkig liep het goed af, en door de kier werd de flesch anijs door onzichtbare handen aangereikt.
Op 'n anderen keer liet hij de broers, die 's avonds bij hem waren komen "winterneven", op hun wandeling naar huis rondom in de witte konijnen staan; voor, achter en opzij van hen, overal, ja zelfs in de boomen en de hagen wemelde het van de konijntjes. Ze konden geen voet verzetten. Zoo hebben ze een half uur gestaan, vol verbazing over dat vreemde gedoe. Toen waren plotseling alle dieren, als bij tooverslag, verdwenen.
Een goede zestig jaar geleden was Adriaan Louwerse de hewoner van een groote hoeve in de Noord-Kraayert, gemeente 's Heer Arendskerke.
Zijn zoon Jan vertelt dat er in zijn jeugd een van de arbeiders de zwarte kunst verstond.
Hij haalde menigen grap uit, en hoewel ze allemaal wel wat "scheef" stonden tegenover zijn kunst, waren ze toch niet bevreesd voor hem, want hij veroorzaakte nooit een bepaald onheil, hij hield ze alleen maar voor de gek.
Zoo hebben Jan en zijn broer "permentelijk" gezien, hoe hij, op hun verzoek, een flesch anijs door de lucht liet vliegen, vanuit een herberg in 's Heerenhoek naar de hoeve; en op een anderen keer een flesch brandewijn uit Wolfaartsdijk. De flesschen waren beiden onaangebroken en voorzien van een etiket met den naam van den kastelein.
't Was op een woensdagmorgen in het koude en gure voorjaar. Toen het drietal zich in de keete bij het houtvuur warmde, zei een van de jongens: "Ik wou dat ik een borrel had."
De knecht J. B. zei toen: "Welnu, wat wil je hebben? Zeg maar op."
"Een flesch anijs."
En daar heeft B. het bewijs geleverd, dat hij meer kon dan een gewoon mensch. Meer hangend dan zittend op zijn stoel en met het lichaam tegen de tafel leunend, geleek hij wel een doode. Bovendien scheen hij 't lange niet gemakkelijk te hebben en 't was maar goed, dat ze trouw zijn voorschrift opvolgden, om de deur op een kier te laten staan en er een steen tegen te leggen, want anders was 't slecht met hem afgeloopen, daar de uitgetogen geest dan niet meer het lichaam zou hebben kunnen bereiken. Evenmin mocht men hem aanraken, wat er ook gebeuren zou. Gelukkig liep het goed af, en door de kier werd de flesch anijs door onzichtbare handen aangereikt.
Op 'n anderen keer liet hij de broers, die 's avonds bij hem waren komen "winterneven", op hun wandeling naar huis rondom in de witte konijnen staan; voor, achter en opzij van hen, overal, ja zelfs in de boomen en de hagen wemelde het van de konijntjes. Ze konden geen voet verzetten. Zoo hebben ze een half uur gestaan, vol verbazing over dat vreemde gedoe. Toen waren plotseling alle dieren, als bij tooverslag, verdwenen.
Onderwerp
SINSAG 0685 - Pikbube als Helfer.   
Beschrijving
Een knecht tovert een fles drank vanuit een verre herberg; hij gaat hierbij in trance en lijkt dan wel een dode. Ook liet hij op een keer de weg vol witte konijntjes komen, zodat de wandelaars niet verder konden.
Bron
J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 143-144
Commentaar
voor 1933
Pikbube als Helfer & SINSAG 0668:Zauberer zaubert den Weg voll Kaninchen, weisse Katzen, Kühe, Reiter usw., um den Weg zu sperren.
Naam Overig in Tekst
Adriaan Louwerse   
Noord-Kraayert   
's Heer Arendskerke   
Jan   
J. B.   
Naam Locatie in Tekst
's Heerenhoek   
Wolfaartsdijk   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
