Hoofdtekst
De duivel en de menschen.
Voor een zestig jaar was het leven van den boerenarbeider op Ierseke, als overal elders, moeilijk. Vaste arbeid was vaste armoe. Aan alles en nog wat was gebrek. Brandstof bestond alleen uit mutserd en turf of meer nog uit derrie en kraakhout; het eerste werd uit de Schelde gehaald, 't laatste gesprokkeld in de toen nog vrij groote bosschen. De vergunning om hout uit de bosschen te halen werd niet altoos verleend, en velen moesten stillekens het brandhout bij elkaar rapen.
't Was op een laten avond, reeds ver in het najaar, dat Gerard Paauwe er ook op uittrok. Het stormde; donkere wolken schoten voortdurend voor de maan, en wierpen groote schaduwen op het pad. De wind joelde door de kruinen, en het werd hem angstig te moede, zoo alleen in het verboden bosch.
Reeds was hij bij de schaapskooi, dichtbij zijn woning, toen eensklaps de duivel zijn bundel hout zoo stevig vastgreep, dat hij geen stap verder kon doen. Hoe hij ook zijn krachten inspande, daar was geen ontkomen aan, en met de woorden: "'Ier ei j't tan" liet hij het hout op den weg vallen, en rende door het smalle paadje onderlangs, den dijk op. Tot bij zijn huis hoorde hij de schaterlach van "Oosjepik".
Voor een zestig jaar was het leven van den boerenarbeider op Ierseke, als overal elders, moeilijk. Vaste arbeid was vaste armoe. Aan alles en nog wat was gebrek. Brandstof bestond alleen uit mutserd en turf of meer nog uit derrie en kraakhout; het eerste werd uit de Schelde gehaald, 't laatste gesprokkeld in de toen nog vrij groote bosschen. De vergunning om hout uit de bosschen te halen werd niet altoos verleend, en velen moesten stillekens het brandhout bij elkaar rapen.
't Was op een laten avond, reeds ver in het najaar, dat Gerard Paauwe er ook op uittrok. Het stormde; donkere wolken schoten voortdurend voor de maan, en wierpen groote schaduwen op het pad. De wind joelde door de kruinen, en het werd hem angstig te moede, zoo alleen in het verboden bosch.
Reeds was hij bij de schaapskooi, dichtbij zijn woning, toen eensklaps de duivel zijn bundel hout zoo stevig vastgreep, dat hij geen stap verder kon doen. Hoe hij ook zijn krachten inspande, daar was geen ontkomen aan, en met de woorden: "'Ier ei j't tan" liet hij het hout op den weg vallen, en rende door het smalle paadje onderlangs, den dijk op. Tot bij zijn huis hoorde hij de schaterlach van "Oosjepik".
Onderwerp
SINSAG 0917 - Teufel (in Tiergestalt) erschreckt Sünder (Fluchende, Holzdiebe, Sonntagsschänder oder Spötter).   
Beschrijving
Een man, die laat er op uit gaat, is met zijn takkenbos vlakbij huis, als zijn hout wordt vastgegrepen door de duivel, zodat hij het tenslotte moet loslaten en Oosjepik hoort schateren, terwijl hij wegrent.
Bron
J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 168-169
Commentaar
voor 1933
Teufel (in Tiergestalt) erschreckt Sünder (Fluchende, Holzdiebe, Sonntagsschänder oder Spötter).
Naam Overig in Tekst
Gerard Paauwe   
Oosjepik   
Naam Locatie in Tekst
Ierseke   
Schelde   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
