Hoofdtekst
Christene Zielen te gelijk!
Wilt U tot mij begeven;
Aanhoort dit lied zoo leeringrijk
Met klaarheid hier beschreven.
In IJzendijke is 't geschied,
Bij Sas van Gent, hoor het bedied,
Hoe God zijn wonderwerken,
Het menschdom doet bemerken.
Daar was eertijds een klein convent
Van Paters Minderbroeders,
Zoo iedereen wel is bekend,
Opregte zielbehoeders;
Dat stadje was gereformeerd,
Voor Jan Calvijn, die protesteert,
Al tegen Rome's kerken,
En God zijn wonderwerken
Dominee heeft de Staten zoolang met brieven bewerkt, tot de door hem valschelijk aangeklaagde paters de stad moesten verlaten, en in het klooster te Sas van Gent den wijk nemen. De straf zou echter niet uitblijven, na een jaar of vijf werd hij zwaar ziek.
Hij stierf dan een subiete dood,
En 't was alom een mare,
Dat hij regt in Abrahams schoot,
Ten hemel was gevaren,
Ja zeker was het dat hij wis,
Bij Isaack en bij Jacob is! —
Zoo riepen maag en vrinden:
O dwazen, o verblinden!
Des nachts waakte men bij de baar, en zie:
Daar kwam een groote zwarte hond,
De kamer ingestreken,
Waarbij men als verpletterd stond,
Van angst en schrik bezweken.
Zijn oogen waren brandend vuur.
Hij huilt en briest met vuurgen gluur.
Zij hebben toen met schromen,
Terstond de vlugt genomen.
't Geval weerklonk dra overal
En men ging discuteren,
Hoe men zoo'n schriklijk ongeval,
Vandaar zou kunnen weren.
Men haalt den opperdominé.
Die brengt den ziekentrooster mee,
Met heeren, vol vertrouwen,
Om 't spooksel te beschouwen.
Men opent nu de kamerdeur,
Om naar die hond te kijken,
De dominé riep met getreur:
"Nooit zag ik zijns gelijken!...."
En als de hond brieste om het meest,
Riep hij: "Ja! 't is een Helsche geest!"
Toen riepen al de heeren:
"Wil hem dan ras doen keeren!" —
Hij nam de bijbel in de hand
En ging de hond bezweren,
Doch die begon op 't ledikant,
Zich grijnzend te verweren.
De Dominé riep met verdriet:
"Ik zeg, zulks is mijn krachtwerk niet,
Dat raakt Roomsch-geestelijken,
Als mannen van praktijken."
En de "opperdominé" ging haastig heen, tot verontwaardiging der ouderlingen, die niet wisten wat te beginnen. Hun voerman, een Roomsche, gaf hen toen de raad een van de paters uit het klooster van Sas van Gent, die door den dominee verdreven waren, te laten halen.
Men gaf de voerman eenen brief,
Gezegeld van de Staten,
Om tot die heeren hun gerief,
De paters toe te laten;
Daarmede sprong hij ras te paard,
Reed fluks naar Sas van Gent bedaard,
En is dra bij die vromen,
In 't klooster aangekomen.
Zoo haast de Pater Gardiaan
Den brief had in zijn handen,
Zegt hij: "Mijn Paters, in Gods naam,
Wie zal dat stuk aanranden?"
De Consignator riep met kracht:
"In Jesus Christus al de maat!
Ik zal dit stuk probeeren..."
Met twee broeders begaf hij zich, het Allerheiligst Sacrament bij zich, naar IJzendijke. Nadat zij de raad beloofd hadden den duivel te verdrijven,
Trokken zij samen naar het huis,
Met honderde getuigen,
Waar men de Satan met gedruis
Zag negen dagen spuigen,
De Pater opent er de deur;
In Christus naam, zonder geseur,
Zoo zijn ze zonder schromen,
Bij 't ledikant gekomen.
Hij sprak: "Wel Satan, helsche geest!
Hoe lang wilt gij hier schuilen?
Vertrek met Uw verfoeid tempeest,
In de onderaardsche kuilen!"
Hij huilt en briest en maakt getier
En wil vergramd, ongaarne hier
Den dooden romp verlaten,
Maar het kon hem nu niet baten.
De Pater trok nu 't doosje ras,
Dat hij kwam bij zich dragen,
Waar Jesus-Christus-zelve in was:
En Satan was verslagen...
Op bevel van den pater is hij door de vensterruit waar hij door binnengekomen was, ook weer, in vuur en vlam, weggevlogen.
Door deze zaak en wonderwerk,
Herkregen Minderbroêrs hun kerk;
Terwijl vele bekeerden
Die vroeger protesteerden.
Onderwerp
SINSAG 0919 - Teufel (in Tiergestalt) wacht bei der Leiche eines Sünders.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Sas van Gent   
God   
Jan Calvijn   
Staten   
Hels   
Pater Gardiaan   
Jezus Christus   
Satan   
Minderbroeders   
Abraham   
Isaac   
Jacob   
Rooms   
Allerheiligst Sacrament   
Naam Locatie in Tekst
IJzendijke   
Rome   
