Hoofdtekst
In den jare na Ons Heeren Menschwording, als men schreef duizend en driehonderd, toen regeerde over ons Vlaanderen de goede grave Lodewijk, met name van Crécy.
En alsdan werd heimelijk gedood een burger van de stede Aardenburg. En die van het gerecht grepen een jong gezel van het wolleweversambacht, en leidden hem in hechtenis op 's Gravensteen, vanwaar hij ter vierschaar gebracht werd en ter dood veroordeeld, hoewel hij zijn onschuld bleef volhouden
Dien middag kwam een priester tot hem om zijn biecht te hooren en wederom zei hij dezen moord niet te hebben gepleegd, en vroeg den priester raad. En deze zei: "Bid tot Maria. Want alzoo heeft mijn heere Sint Bernard altijd zijn monniken geleerd, dat een dienaar van Maria in der eeuwigheid niet verloren zal gaan."
Zoo dan begon die ongelukkige gezel met groote devotie tot Maria te bidden; en de Moeder Gods aanhoorde hem. Want toen hij in diepen slaap lag, zag hij in een visioen de allerliefste Moeder van Genade en zij droeg op haar arm het kindeken Jezus en was door legioenen van engelen vergezeld. En zij brachten mede een pen en een inktkoker en een bandeken perkament. En opeens straalde de diepe kerker in een overklare lichtschijn, en Maria wekte haar dienaar en zei tot hem met groote goedheid, dat zijn bede verhoord was en haar Goddelijke Zoon hem ontkommernis zou brengen.
Toen nam het kindeken de pen en Maria hield den inktkoker, en Hij schreef op het bandeken, rolde het ineen en zei tot den jongen: "Neem dit, en als de Schout en zijne suppoosten komen om u ter galge te brengen, zeg, dat ge den Baljuw spreken wilt en geef hem dit perkament, en even spoedig zult gij de barmhartigheid Gods en de goedheid van Zijne Moeder ondervinden." En in een oogenblik verzwond dat schoon visioen en 's Gravensteen lag wederom in het donker.
En zie, tegen den morgen kwamen zij naar het Steen om den jongen man ter dood te leiden, en onder weg naar het Scherpehuis vroeg hij, of hij den Baljuw een woordeken zeggen mocht, en toen dit werd toegestaan, reikte hij hem het perkament.
De Baljuw las het wonderbaar geschrift. Wat er in stond, heeft hij nimmer eenig mensch gezegd, maar aanstonds werd de jongen op vrije voeten gesteld.
Korten tijd daarna werd er een steenen beeld gemaakt van "O. L. Vrouw met den inktkoker," het werd buiten de muur tegen de Lieve Vrouwekerk geplaatst, en de vrome voorbijgangers zeiden:
"Ik groet U, Maria, die daer staet,
Gij zijt goed en ik ben kwaed.
Wilt Gij mijn arme ziele gedinken,
Ik sal U een Ave Maria schinken."
"Van Erdenborc, die soete Vrouwe" werd na dat wonder alom geeerd. Duizenden en duizenden bedevaartgangers vulden de wegen die naar de stad leidden. Ook de koningen Eduard van Engeland, de eerste, de derde en de vierde van dien naam, Philips de Schoone en Karel de Stoute, "onzen herden 1) geduchten heere van Chaerlois (waren) hier in pilgrimagen."
Nadat de Protestanten meester waren in Aardenburg, werd het beeld naar Brugge overgebracht. "Op den hoek van het Stadthuys is staende een ander Mariabeeldt, het welcke Miraculeus is, ende besloten in een glaesen Lanteeren voor het welcke Jaerliks een Processie is geschiedende van de drye Hooft Kercken ende Wet dezer Stede."
In 1792 verbrijzelden de Sans-Culotten het beeldeken, maar in 1853 liet het gemeentebestuur van Brugge uit witten steen een nieuw beeld maken van "O. L. Vrouwe met den inktpot", dat volkomen op het oude gelijkt.
1. Zeer.
Onderwerp
SINLEG 0341 - Maria rettet unschuldig Verurteilten.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Lodewijk   
Gravensteen   
Maria   
Sint Bernard   
Moeder Gods   
Moeder van Genade   
Jezus   
Onze Lieve Vrouwe met de inktpot   
Erdenborc   
Eduard   
Philips de Schone   
Karel de Stoute   
Chaerlois   
Protestanten   
Sans-Culotten   
Ons Heer   
Naam Locatie in Tekst
Vlaanderen   
Crécy   
Aardenburg   
Lieve Vrouwekerk   
Engeland   
Brugge   
Steen   
