Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ZEEUW231 - De gebarsten klok.

Een sage (boek), 1923 - 1932

Hoofdtekst

De gebarsten klok.

Het was in een dier tijden van groote welvaart, toen goud en zilver als niets werden geacht. Nergens aan de kleeding ontbrak 't edel metaal, zelfs de gespen van de schoenen waren van goud.
Bij sommigen was het juk, waaraan de melkemmers hingen, van zilveren haken voorzien; en de klopper op de deur was van goud.
Nimmer zag men zulke pracht, als op den dag dat de gilden hun jaarlijkschen rijtoer maakten door den omtrek. Dan schitterde alles van 't goud en zilver, en daarenboven voerden de broeders nog al hun trofeeën mee. 's Morgens vroeg verliet de ris huifwagens het dorp, om er eerst 's avonds weer terug te keeren, een gebruik, dat lang stand hield, ook toen er van weelde niet veel meer te bemerken viel.
Hoe 't er toeging, vertelt een oud speelliedje van de "jonkheid" van Waarde:

De zon is weer gerezen,
Die blijde dag licht aan,
Dat men zal vroolijk wezen,
En spelerijden gaan.
Laat ons met blijde zinnen
De Eendracht en de Deugd
En onze meisjes minnen,
Dan gaat de reis met vreugd.

Ja, moedig met uw paarden
Wij zijn hier nu gelijk,
En rijden nu van Waarde,
Verheugd naar den Oostdijk.
Hier eens in 't rond gedronken
Een glaasje kraamannijs,
Om onze vreugd 't ontvonken,
En op de goeie reis.

Op de wenk van Bacchus' degen
Naar Ierseke nu blij te moet.
Langs Pors 1) en andere wegen,
Zoo naar Kapelle toe.
.t Is nu een jaar geleden,
Alsdat wij met plezier,
Hier kwamen aangereden
En zoo zijn wij weer hier.

Al zijn wij gansch omgeven,
Met vreugde en plezier,
Daarom hier niet gebleven
Maar rijden weer van hier.
Wilt op de wagen treden
Welaan mijn liefste zoet!
Naar Kloetinge gereden
Al met een blij gemoed.

Bevrijd van druk en plagen,
Van droefheid en geweer,
Maar rijden met behagen
Naar 's Gravenpolder heen.
Mijn lief, mijn schoon jonkvrouwe
Daar zal men tot uw eer
Een vreugde-maaltijd houen
Naar lust en naar begeer.

Men ziet de vreugd vergrooten,
Wie zou niet vroolijk zijn.
Verheugde dischgenooten
Ons past een glaasje wijn.
Dan rijden wij als voren
Mijn zoet lief aan mijn zij
Naar Biezelinge en Schore,
En dansen aan een rei.

Dan weer met nieuwe lusten,
Kom, paarden! schept maar moed,
Welhaast zult ge wel rusten
En wij, beminde zoet,
Wij zullen ons vermaken
In Kruiningsch' kermisvreugd.
En 't zoet van Bacchus smaken
Dat jong en oud verheugd.

Tot dat de zon gaat dalen,
Dan spant men weder aan,
En zullen zonder dralen
Naar huis toe rijden gaan.
En zoo bevrijd van zorgen
Een vroolijke nacht
Wordt tot den lichten morgen
In vreugde doorgebracht.

Joost Bijlo, die op de Teekenbrug onder Kapelle woonde, was wel de vroolijkste aller gildebroeders, steeds bereid tot snedige gezegden, en nooit om een geestig antwoord verlegen.
Maar wat niet door den beugel kon was wel, dat hij den spot dreef met alles en nog wat, zelfs met de heiligste zaken. Hij gaf, in 't kort gezegd, om God noch gebod.
In de kerk zag je hem nooit, waarom was dat noodig? Hij was rijk en gezond, dat liet hij over aan de oude menschen. Voor die was de kerkgang een verzetje, de eenige afwisseling in de dagelijksche sleur. Hem bracht 't alleen verveling.
Zoo leefde hij vrij en blij en spotte naar hartelust, vooral dan wanneer de vromen bij zijn woorden huiverden.
Hoeveel malen hij wel wenschte dood neer te vallen, is niet te zeggen.
Wat hem ook danig dwars zat was dat men de klok luidde bij begrafenissen. Waarvoor was dat nou noodig? Drukte bij het leven, maar niet meer na den dood, zei hij.

In elk geval zou voor hem de klok niet worden geluid, en deed men het toch tegen zijn wil, dan wenschte hij, bij hier en gunder, dat ze barsten zou.
De dwaze Bijlo voelde zich op zekeren dag niet lekker, heelemaal niet erg, niets voor den chirurgijn, hij zou dien dag het bed houden en den volgenden mcrgen weer beter zijn, maar, toen hij zich even verlet en tegen de bedsteesponde leunde, schoot die plotseling los en viel met Joost de kamer in. Men beurde hem dood van den vloer.
Toen hij eenige dagen later begraven werd, en de klok ook voor hem werd geluid, ontstond er tijdens den uitvaart een groote barst in de klok, waardoor eensklaps de zilveren toon zijn helderen klank verloor.
Sedert jaren is de klok spoorloos verdwenen, wie weet te zeggen waarheen?

1. Postweg.

Onderwerp

SINLEG 0072 - Glocke birst beim "ausläuten" eines Sünders.    SINLEG 0072 - Glocke birst beim "ausläuten" eines Sünders.   

Beschrijving

Een man, die al zijn leven de spot had gedreven met de kerk en hoopte, dat hij dood mocht neervallen en dat bij zijn begrafenis geen klok wordt geluid, overlijdt bij een val en bij de begrafenis komt er een grote barst in de klok.

Bron

J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 214-217

Commentaar

voor 1933
Glocke birst beim "ausläuten" eines Sünders.

Naam Overig in Tekst

Bacchus    Bacchus   

Pors    Pors   

Joost Bijlo    Joost Bijlo   

God    God   

Naam Locatie in Tekst

Waarde    Waarde   

Oostdijk    Oostdijk   

Ierseke    Ierseke   

Kapelle    Kapelle   

Kloetinge    Kloetinge   

's Gravenpolder    's Gravenpolder   

Biezelinge    Biezelinge   

Schore    Schore   

Kruiningen    Kruiningen   

Teekenbrug    Teekenbrug   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20