Hoofdtekst
Aan de Eder, in westelijk Germanië, woonde de volksstam der Katten, door koningen geregeerd. Een van hen had twee zonen, Bato of Battus en Zalandus. Daar hun stiefmoeder hen naar het leven stond, besloten zij het land te verlaten; eenige edelen en veel volk ging met hen. In de tweede maand na hun vertrek kwamen de broeders op de plaats, waar de Rijn zich in tweeën splitst. Ze staken de rivier over en Bato zond gezanten naar zijn schoonvader Menapius, koning der Tongeren, met wiens dochter Richeldinen hij was getrouwd.
Menapius kwam met een groot gevolg de Rijn over, onthaalde Bato en zijn broeder op het slot Megen (d.i. Nijmegen) en gaf hem den raad zich neer te zetten in het land van Maas en Waal. Daar bouwde Bato de Batenburg, maar Zalandus trok verder tot aan "der Walscher custe". Naar hem is Zeeland genoemd. Ook hij stichtte een slot, in het midden van het eiland, en noemde het naar zijn vader Metellus 1), wat nu Middelburg heet.
Ook stak hij over naar Engeland, om er de reuzen te verdrijven. "Merghelyc Plato die philosooph scryft, so is alle oudtheyt met fabelen ghemengt."
Hij bouwde ook de dijken, die deze eilanden tegen de wilde zeeën beschermen, hij en zijn zoon Ziringus.
1. Erasmus sprak nog van Metelliburgum.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Germanië   
Zalandus   
Menapius   
Richeldinen   
Metellus   
Ziringus   
Naam Locatie in Tekst
Eder   
Katten   
Bato   
Rijn   
Tongeren   
Megen   
Nijmegen   
Maas   
Waal   
Batenburg   
Walsch   
Zeeland   
Middelburg   
Engeland   
Plato   
