Hoofdtekst
Kaatje vertelde mij heel verschrikt
Dat het nu al verscheidene nachten
Zoo in haar bedstee had getikt
Zij had gewis iets kwaads te wachten.
't Kloppertje achter het houten schot
Voorspelde haar dit droevig lot.
Dat tikte en takte en scheidde niet uit,
Iets, dat gewis wat kwaads beduidt.
Ook, toen zij laatst haar venster sloot
Stond voor de deur een hond te huilen.
Dit dreigt, zegt ze, (gewis met dood ?)
Zij wist van kraaien en van uilen,
Hoe hun gekras ons onheil spelt
Daar zij mij veel van heeft verteld.
En brak er een spiegel, een flesch of een glas,
Dan volgt de dood van den eigenaar ras.
Ik was er toch niet mee tevreê,
Dat dit gespook mijn rust zou storen.
Ik ging naar onzen dominé
Om er zijn meening van te hooren.
Dat is zulk een braaf en rechtschapen man,
Wien men gerust zoo iets vragen kan.
Wie vraagt, wordt ook wijzer, is altijd zijn woord,
Als hij naar onderrichting hoort.
"Er is," sprak hij, "een weldadig God,
Die steeds voor ons geluk blijft zorgen
Hij is het, die ons toekomstig lot
Wijselijk heeft voor ons oog verborgen.
Wie had er ooit een blijden dag,
Die reeds vooruit zijn rampen zag.
Door angstig te vreezen verloor hij den moed,
Die hem het onheil dragen doet."
Dat het nu al verscheidene nachten
Zoo in haar bedstee had getikt
Zij had gewis iets kwaads te wachten.
't Kloppertje achter het houten schot
Voorspelde haar dit droevig lot.
Dat tikte en takte en scheidde niet uit,
Iets, dat gewis wat kwaads beduidt.
Ook, toen zij laatst haar venster sloot
Stond voor de deur een hond te huilen.
Dit dreigt, zegt ze, (gewis met dood ?)
Zij wist van kraaien en van uilen,
Hoe hun gekras ons onheil spelt
Daar zij mij veel van heeft verteld.
En brak er een spiegel, een flesch of een glas,
Dan volgt de dood van den eigenaar ras.
Ik was er toch niet mee tevreê,
Dat dit gespook mijn rust zou storen.
Ik ging naar onzen dominé
Om er zijn meening van te hooren.
Dat is zulk een braaf en rechtschapen man,
Wien men gerust zoo iets vragen kan.
Wie vraagt, wordt ook wijzer, is altijd zijn woord,
Als hij naar onderrichting hoort.
"Er is," sprak hij, "een weldadig God,
Die steeds voor ons geluk blijft zorgen
Hij is het, die ons toekomstig lot
Wijselijk heeft voor ons oog verborgen.
Wie had er ooit een blijden dag,
Die reeds vooruit zijn rampen zag.
Door angstig te vreezen verloor hij den moed,
Die hem het onheil dragen doet."
Beschrijving
Een vrouw vreest de toekomst na het horen van getik in haar bedstee; de dominee is echter van mening, dat God onze toekomst voor ons verborgen houdt.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
26 april 1892
Naam Overig in Tekst
Kaatje   
God   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
