Hoofdtekst
Toen ik henenging en wederkwam,
Zes levende uit de doode nam,
De zesde maakten de zevende rijk
Wie heeren, raadt dit te gelijk?
Zoo gij heeren dit kunt raden,
Moogt gij mijne man wel braden,
Maar zoo gij heeren dit niet kunt denken
Dan zult gij mij mijn man wel schenken.
(antw. een nest met jonge vogels in een doode paardekop.)
Zes levende uit de doode nam,
De zesde maakten de zevende rijk
Wie heeren, raadt dit te gelijk?
Zoo gij heeren dit kunt raden,
Moogt gij mijne man wel braden,
Maar zoo gij heeren dit niet kunt denken
Dan zult gij mij mijn man wel schenken.
(antw. een nest met jonge vogels in een doode paardekop.)
Onderwerp
AT 0927 - Out-riddling the Judge   
ATU 0927 - Out-riddling the Judge.   
Beschrijving
Rechterraadsel:
Toen ik henenging en wederkwam,
Zes levende uit de doode nam,
De zesde maakten de zevende rijk
Wie heeren, raadt dit te gelijk?
Zoo gij heeren dit kunt raden,
Moogt gij mijne man wel braden,
Maar zoo gij heeren dit niet kunt denken
Dan zult gij mij mijn man wel schenken.
Toen ik henenging en wederkwam,
Zes levende uit de doode nam,
De zesde maakten de zevende rijk
Wie heeren, raadt dit te gelijk?
Zoo gij heeren dit kunt raden,
Moogt gij mijne man wel braden,
Maar zoo gij heeren dit niet kunt denken
Dan zult gij mij mijn man wel schenken.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
eind 19e eeuw
Out-riddling the Judge
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
