Hoofdtekst
De twee Koningskinderen
Er waren eens twee koningskind'ren
Die elkander zoo teer beminden.
Uit wandelen zijn zij gegaan
En zij waren met min belaên.
Die vader, die het hoorde,
Die legde zijn zoon te scole,
Te scole al achter het land:
Was dat geen groote schand?
Deze maagd, die had 'et vernomen
Die is haar gekleed in 't mans:
Een pluim zette zij op het hoofd
Zoo volgt zij hem achternaar
In druk en ellende zwaar.
In droefheid en in groot verdriet
En waar zij zocht, zij vond hem niet.
Zij is er zoo verre gekomen
Dat zij hem hadde vernomen:
Te Keulen al achter den Rijn
Vond zij er den jonkman fijn.
"Goei'dag," zeide zij er, "mijnheere,
Hebt gij er geen zoete-lief meere,
Hebt gij er geen zoete-lief mijn?
Ik bid het u, zeg het mijn."
"Ik had er nog wel een beminde,
Maar ik kan haar nergens meer vinden
Geen schoonere konde er zijn
Hier onder het zonnegeschijn."
"Hoe hebt gij haar kunnen vergeten.
Ik bid er u, laat 'et mij weten?"
"Door al dat dansen en springen
En andere vrolijke dingen,
Door't dobbel- en kaartengespel
Vergat ik mijn zoete-lief wel.
Ik zal er mij eens haast gaan gangen
Want de avond is op handen;
De klare dag is voorbij:
Slaap dezen nacht bij mij."
Hij liet er een beddeke spreien,
Een beddeke voor hun beien.
Daar lagen twee liedekes tegaêr
Onbekend al bij mekaar
Twee uurtjes voor die dage,
De jonkman begon te slapen,
Te slapen, o zoo zoet,
Dat zijn jong hart treuren doet.
Zij ging er een brieveke schrijven
Een brieveke van hun beiden,
Een brieveke metter spoed
Al van haar eigen bloed.
Dat leide zij hem op zijn herte
O God, wat droevige smerte
Het voor den jonkman was
Toen hij het brieveke las.
"Ik zal haar zien en spreken,
Al voor ik zal drinken of eten."
Hij zoekt wel negen jaar
In druk en ellende zwaar.
In droefheid en in zwaar verdriet,
En waar hij zocht, hij vond ze niet.
Hij is er zoo verre gekomen
Dat hij haar hadde vernomen
Te Brussel in het gasthuis
Vond hij er zijn zoete-lief thuis
"Waarom had gij 't mij niet laten weten?
Toen gij neven mij waart gezeten?
Als dat gij er mijn zoete-lief waart;
Dan waren wij lang gespaard."
"Hoe kon ik het u laten weten
Toen gij neven mij waart gezeten?
Door al dat dansen en springen
En andere vroolijke dingen,
Door't dobbel- en kaartengespel
Vergat gij uw zoete-lief wel."
Hij nam haar in zijn armen:
"O God, wilt ons beschermen!"
Zij sloeg haar oogjes neer
En stierf daar in de wee.
Er waren eens twee koningskind'ren
Die elkander zoo teer beminden.
Uit wandelen zijn zij gegaan
En zij waren met min belaên.
Die vader, die het hoorde,
Die legde zijn zoon te scole,
Te scole al achter het land:
Was dat geen groote schand?
Deze maagd, die had 'et vernomen
Die is haar gekleed in 't mans:
Een pluim zette zij op het hoofd
Zoo volgt zij hem achternaar
In druk en ellende zwaar.
In droefheid en in groot verdriet
En waar zij zocht, zij vond hem niet.
Zij is er zoo verre gekomen
Dat zij hem hadde vernomen:
Te Keulen al achter den Rijn
Vond zij er den jonkman fijn.
"Goei'dag," zeide zij er, "mijnheere,
Hebt gij er geen zoete-lief meere,
Hebt gij er geen zoete-lief mijn?
Ik bid het u, zeg het mijn."
"Ik had er nog wel een beminde,
Maar ik kan haar nergens meer vinden
Geen schoonere konde er zijn
Hier onder het zonnegeschijn."
"Hoe hebt gij haar kunnen vergeten.
Ik bid er u, laat 'et mij weten?"
"Door al dat dansen en springen
En andere vrolijke dingen,
Door't dobbel- en kaartengespel
Vergat ik mijn zoete-lief wel.
Ik zal er mij eens haast gaan gangen
Want de avond is op handen;
De klare dag is voorbij:
Slaap dezen nacht bij mij."
Hij liet er een beddeke spreien,
Een beddeke voor hun beien.
Daar lagen twee liedekes tegaêr
Onbekend al bij mekaar
Twee uurtjes voor die dage,
De jonkman begon te slapen,
Te slapen, o zoo zoet,
Dat zijn jong hart treuren doet.
Zij ging er een brieveke schrijven
Een brieveke van hun beiden,
Een brieveke metter spoed
Al van haar eigen bloed.
Dat leide zij hem op zijn herte
O God, wat droevige smerte
Het voor den jonkman was
Toen hij het brieveke las.
"Ik zal haar zien en spreken,
Al voor ik zal drinken of eten."
Hij zoekt wel negen jaar
In druk en ellende zwaar.
In droefheid en in zwaar verdriet,
En waar hij zocht, hij vond ze niet.
Hij is er zoo verre gekomen
Dat hij haar hadde vernomen
Te Brussel in het gasthuis
Vond hij er zijn zoete-lief thuis
"Waarom had gij 't mij niet laten weten?
Toen gij neven mij waart gezeten?
Als dat gij er mijn zoete-lief waart;
Dan waren wij lang gespaard."
"Hoe kon ik het u laten weten
Toen gij neven mij waart gezeten?
Door al dat dansen en springen
En andere vroolijke dingen,
Door't dobbel- en kaartengespel
Vergat gij uw zoete-lief wel."
Hij nam haar in zijn armen:
"O God, wilt ons beschermen!"
Zij sloeg haar oogjes neer
En stierf daar in de wee.
Beschrijving
Twee koningskinderen hielden veel van elkaar, maar de jongen wordt door zijn vader ver weg op school gedaan, waarop het meisje zich als man verkleedt, de jongen achterna reist en hem tenslottte vindt in Keulen achter de Rijn. Onherkend vraagt ze hem naar zijn geliefde; hij blijkt haar door alle vrolijke dingen vergeten. Ze laat 's nachts een brief achter en hij gaat naar haar op zoek en vindt haar na 9 jaar in Brussel, waar ze in zijn armen sterft.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
6 februari 1896
Simonis schrijft op 6 februari 1896 aan Boekenoogen: "Ik was met een mijner vrienden alhier 'den boer op' gegaan om wat folkloristische bijdragen te verzamelen. Zoo kwamen we bij eene vrouw van in de zeventig, die het liedje kende van 'De Vier Gasten' en 'De Twee Koningskinderen'. De oude vrouw, hoe schor van keel ook, moest zingen, want mijn vriend, een liefhebber van muziek, was het om de melodie te doen. We meenden bij het eerste hooren met een oud liedje te doen te hebben, want, zeide de vrouw, zij had het van haar moeder geleerd. Nadat ik de woorden en mijn vriend de muziek had opgeteekend, gingen we verder naar eene schuur, waar eenige boerenjongens den dorschvlegel hanteerden. Ze kenden geen oude liedjes. 'Kent ge dan niet van de Vier Gasten, van de twee Koningskinderen?' 'Jawel, mijnheer, maar die zijn zoo oud niet: die koopen we op de Bossche markt.' Wat moesten wij er nu van denken? We lieten om ons te overtuigen eenige liedjes meebrengen uit 's Bosch, waaronder ook dat van de Vier Gasten. Dit verschilde echter merkelijk in zijn tekst van het, denk ik, oorspronkelijke, dat wij van de zeventigjarige vrouw leerden."
Naam Overig in Tekst
God   
Naam Locatie in Tekst
Keulen   
Rijn   
Brussel   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
