Hoofdtekst
Vrienden luistert naar het lied
Christelijke scharen,
Wat er van vier gasten is geschied
Die kameraden waren.
Ze maakten samen eenen band
Om te bezoeken het Heilig Land.
Maar niet weerom te keeren.
Vóór zij zagen het Graf des Heeren.
Hun blijschap, die was haast vergaan
In grote trubbelatie
En eene schrik, die kwam hun aan
't Was duivelsche tentatie
Twee tijgers maken een groot getier.
Deez' gasten riepen alle vier
"O God, wat komt ons tegen
Op deez' bedroefde wegen!
Zou hier iemand vol zonden zijn,
Die aan God zoude mishagen?
Maria zuiver, maged rein,
Wil zorg voor ons dragen.
Want deze reis is onze wil."
En eene van deez' vier stond stil
En liet veel tranen leeken
Toen zeide hij zijn gebreken.
"Laat mij alleen op deze baan,"
Sprak hij met een groot bezwaren,
"Ik heb ten biechte niet gegaan,
In tijd al van acht jaren.
Voorwaar, mijn zonden zijn zoo groot,
Reist gij liën met uw drie maar voort,
Want God, die komt ons plagen
Om mijn verleden dagen."
Toen spraken de and're drie getrouw,
"Och, wil niet droevig wezen,
De Litanie van Onz' Liev' Vrouw
Die zullen we voor u lezen.
En vragen dan aan God genaên
Voor al uw zonden en misdaên,
En vijfmaal alle dagen
Zullen wij ons gebed aan God opdragen."
De tijgers, die verdwenen ras,
Zij trokken voort te zamen,
Gelijk als 't hun begeerte was
Te Jerusalem zij kwamen.
Daar zagen zij het Heilig Graf,
Dat Jozef daar aan Christus gaf;
Twee Minnebroeders kwamen,
Die hun de biecht afnamen.
Zij kregen daar op staanden voet
Het Vleesch en Bloed des Heeren,
Hun groot berouw, dat was zeer goed,
Dat bleek in 't wederkeeren.
De eene gast, van zonden groot,
Die bleef te Machedoniën dood,
Heel naakt en bloot van leden
Een vrouw kwam daar getreden
Die sprak: "Gij vrienden, al te saêm
Wilt het doode lichaam begraven
En doet het eerst een schoon hemd aan
Reis dan door bosch en haven
En vreesch dan voor geen ongeval,
Ik weet, wie u verlossen zal."
Zij hebben dan met groot beklag
Het dood lichaam begraven
En kort daarna den derde dag
Zij een schaapsherder zagen.
Die had drie schaapjes, deze vrind,
Hield het nog een met een rood lint
En daar stond niets te weien
Dan steenen en dan keien
Zij vragen dan met groot verstand:
"Wat geeft ge uw schaapjes te eten?
Hier is geen kruid, gras, graan in't land
We zouden 't gaarne weten.
De herder heeft aan hen verklaard:
"Die zijn door God en mij bewaard.
Dat is 't ééne uitverkoren
Dat acht jaar was verloren;
Dat is nu in de[n] rechte[n] stal
Geraakt door uw gebeden."
De herder verdween op staanden voet.
Zij trokken voort met droef gemoed
En waren zeer verslagen
Straks eenen geest zij zagen.
Die sprak: "En zijt toch niet ontsteld
Dat ik mij kom vertoonen:
Gij mij begraven hebt in 't veld
En dat zal God u loonen.
Gij deedt mij eerst een schoon hemd aan
En wilt Gods Moeder nooit afstaan;
Zij heeft pardon gekregen
Voor al mijn zondig leven
Ik ben nu in der eeuwigheid
Geraakt door uw gebeden."
De geest heeft hen adieu gezeid;
Zij toen hun reis voldeden
En dankten Gode vroeg en laat
Voor 't zien van hunnen kameraad.
Zondaars, wilt hieruit leeren:
Wilt met berouw bekeeren.
Onderwerp
SINLEG 0345 - Maria erscheint einem Sünder, um ihn zu bekehren (einem Spötter, Mönch; der das Kloster verlassen will).   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Christus   
God   
Maria   
Vrouw   
Heer   
Jozef   
Minnebroeders   
Naam Locatie in Tekst
Land   
Graf   
Jerusalem   
Macedonië   
