Hoofdtekst
Joris quam met Dirck des ochtens ten vijf uyren uyt de kroeg en ging verbij de kerck. R. 'Weet ghij nu raedt Dirck, om al het volck dat in de vroegpreeck komt te bedriegen?' R. 'Neen ick.' R. 'Maer soudt ghij het wel willen doen?' R. 'Niet liever, dat weet ghij wel.' R. 'Sie, daer leyt een corpulente stront, doet daer een onvertsaegde beet in, en spuwt die daernae weder uyt tegen de ring van de kerckdeur, dan sal al het volck seggen: "De duyvel hael de vent die de ring soo bescheten heeft, en juyst is het geloogen want sij sal met stront bespogen zijn."
Beschrijving
Joris en Dirck kwamen om vijf uur 's ochtends uit de kroeg. Joris wilde graag een grap uithalen de mensen die in de kerk bij de vroege preek zaten. Hij stelde voor dat Dirck een hap uit een grote drol nam en die zou uitspuwen tegen de kerkdeur. De mensen zullen dan denken dat erop gescheten is, terwijl er in werkelijkheid gespuugd is.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Joris   
Dirck   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
