Hoofdtekst
Iemand vroeg de doodgraver of hij met hem om een pintje wilde. R. 'lck kan warachtig noch niet, ick moet ten 4 uyren een lijck ter aerde helpen.' R. 'Noch heb ick van mijn leven geen sotter ambacht gesien als het uwe. R. 'Hoe soo?' R. Wel alle hoveniers, als sij wat planten, sullen hoopen dat het opkoomen sal, maer ghij plant 1000 en 1000 doode menschen, wat komt er van op?' R. 'Wacht maer tot den jongsten dag, sij sullen alle opkoomen.'
Beschrijving
Een doodgraver ging met iemand een pintje drinken, maar hij kon niet omdat hij nog vier lijken moest begraven. De ander vond dat doodgraver maar een vreemd beroep was, omdat je wel veel plant (de grond in stopt), maar je er niets voor terugkrijgt: er komt niets op. De doodgraver dacht daar anders over. Op de jongste dag (de dag des oordeels) zullen alle doden opkomen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20