Hoofdtekst
De abt hadde aen een lekebroer sijn paerdt te verkoopen gegeven, die het daer op de marckt aen een pael bondt en daerbij ging wandelen. R. 'Wel frater, wiens paerdt is dat?' R. 'lck weet het niet, maer ik moet het verkoopen.' R. 'Wel. soodoende sult ghij daer niet afraecken.' R. 'Daer heb ik geen last toe.' R. 'Wat moet het gelden?' R. 200 f.' R. 'Dat is teveel, maer is het wel goedt?' R. 'lck geloof het niet, want waerom soude onsen abt dan verkoopen.' De kooper des mans eenvoudicheyt siende gaf het geeyschte en liet hem loopen.
Beschrijving
Een abt had aan een lekebroer een paard meegegeven om te verkopen. Iemand vroeg op de markt van wie het paard was. De broeder antwoordde, dat hij dat niet wist, maar dat hij het moest verkopen voor 200 gulden. Op de vraag of het een goed paard was, antwoordde hij dat hij dacht van n iet: anders zou de abt het niet willen verkopen. Toen de koper zag hoe eenvoudig de broeder was gaf hij hem het geld.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20