Hoofdtekst
Een die tot negen uyren bij sijn vrijster hadde gekout, wierdt geseyt dat het laet was en etenstijdt, met een vraege of hij oock noch yets meer te seggen hadde. R. 'Ick wilde noch wel yets op mejuffer versoecken.' R . 'Segt het kort, wat soude het wesen.' R. '[doorgehaald].'
Beschrijving
Een jongen werd op een avond weggestuurd bij zijn vrijster. Er werd hem gevraagd of hij nog iets te zeggen had, en hij wilde inderdaad nog wel iets vragen. Wat hij wilde vragen is doorgehaald.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20