Hoofdtekst
Op een tijdt met Joan de Bisschop na Rijswijck toe wandelende sagen wij de koets van Amelis van Bouchorst, de heer van Wemmenum aenkoomen. R. 'Hoe is de wind?' R. 'Siet ghij alree nae de wind? Het sal noch wel 3 maenden lijden eer uw schip naer Oost-Indiën vaerdig is.' R. 'Neen, daerom niet, maer omdat wij boven wind souden gaen van die koets, daer [doorgehaald] benijt gij dien man sijn middelen?' R. 'Neen, maer ick ben boos sijn [doorgehaald] daer hij de [doorgehaald].' R . Soud gij sijn goedt voor soo een prijs wel willen hebben?' R. 'Neen, ik.' R. 'Hij wil daer [doorgehaald] gij 't wel doen?' R. 'Neen, ick. R. 'Benijt het hem dan niet.'
Beschrijving
Joan de Bisschop wil bovenwinds gaan van de koets van Amelis van Bouchorst, omdat hij jaloers is op zijn rijkdom. Zijn gesprekspartner legt hem uit waarom Johan hem niet moet benijden. Hoe hij dat precies doet, wordt niet duidelijk doordat enkele woorden zijn doorgehaald.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Joan de Bisschop   
Rijswijck   
Amelis van Bouchorst   
Oost-Indien   
Naam Locatie in Tekst
Oost-Indie   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
