Hoofdtekst
Sekere snaeck sat in een salet bij schemeravond, daer hij bij klaeren dag hadde gesien dat een ruyt uyt was. Men quam te spreecken van de jacht en recht te schieten. 'Jae', seyde hij, 'in 't schieten hebbe ick mij noyt geoeffent, maer in 't spuyten ben ick hagenevelt geweest en 't is mij meer als eens gebeurt dat ick een veugel in de vlucht hebb' gespuyt.' R. 'Soo dan. dat isser één in de vlucht etc.' R. 'Kom hier, kom hier, ghij hoeft het niet te gelooven, maer ick wedde om 12 rijcxdaelders dat ick van mijn plaets daer ick nu sit door de glaesen eerst sal spuyten en dan drymael achtereen door het selve gat sonder raecken of haperen, schoon het al wat duyster is.' 't Wedspel ging sijn gang. De gaeuwdief spuyte een ruyt naest de gebroocke ruyt aen stucken en doe sette hij het 3 maal door de gebroockene heen, dat onmogelijck was bij schemeravond te mercken.
Beschrijving
Een man heeft weinig ervaring met het jachtgeweer, maar zegt ervaren te zijn met een gewoon geweer. Hij gaat een weddenschap aan, schiet een ruitje kapot (terwijl er al een ruitje kapot was) en schiet er dan driemaal zonder problemen doorheen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20