Hoofdtekst
Rudolph liep eens seer ijverig langs de straet. R. 'Hoe soo schielijck, waer leyt de reys nae toe?' R. 'lck moet 200 f. hebben van Ernst en sij seggen dat hij heel sieck is, ick loop se soo inmaenen.' R. 'Daer schort het hem niet, maer hij heeft vrij grooter sieckte.' R. 'Wat doch?' 'D'armoe, maer evenwel dat is geen sieckte daer de dood mede gemengt is; sit wat, Rudolf.' R. 'De sieckte mag wesen soo sij wil, sieckte is sieckte, ick ben er evenwel ten hoogsten in beswaert dat hij er mee deur sal gaen.'
Beschrijving
Iemand vroeg Rudolph waarom hij zo haastig over straat liep. Rudolph legde uit, dat Ernst hem nog 200 gulden schuldig was, en dat hij gehoord heeft dat Ernst heel ziek is. De ander zij dat de ziekte van Ernst armoede was. Dat maakte Rudolph niet uit; een ziekte is een ziekte, en hij had er bezwaar tegen dat Ernst daarmee door zou gaan.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Rudolf   
Ernst   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
