Hoofdtekst
Eén van de oudste Heeren van de Dorenweerd leefde in vijandschap met den Heer Van Hoeckelom. Bij het tournooigevecht was deze haat het eerst ontbrand toen Dorenweerd door den ander uit het zadel werd geworpen. Dat zag de Jonkvrouwe Jacoba, naar wier hand het tweetal dong. De Heer Van Hoeckelom verwierf haar gunst en hart; zijn vijand trok zich mokkend op de Dorenweerd terug. Zijn liefde voor Jacoba was gelijk verterend vuur, hij werd een bleeke man, die allen omgang met zijn standgenooten ging vermijden.
Hij had een dochtertje, de kleine Kunegond. Terwijl zij ouder werd, groeide op Hoeckelom een zoon op van Jacoba. Na jaren vonden deze zoon, de ridderlijke Guido, en de dochter van de Dorenweerd elkaar op 't Roosendaalsche Slot. 't Werd zoete min. Maar toen de Jonkvrouw op den vaderlijken Burcht van deze liefde sprak, verzette zich de vader vastberaden. Geen Hoeckelom zou met zijn dochter samengaan!
Zij zond haar page Rudimer naar Hoeckelom. En Jonker Guido snelde dra naar Doorweerd om zijn liefde te verklaren. De Burchtheer hoonde hem en joeg hem spottend weg, ondanks de smeekingen van Kunegonde.
Twee dagen later trachtte zij door heimelijke vlucht zich met haar minnaar te vereenigen. Haar vader echter achterhaalde haar, bracht, met geweld, haar in het Slot terug en sloot haar op in één der kerkerholen.
Wel veertien dagen lang vroeg hij haar dag na dag van Guido af te zien. Zij weigerde - hij liet haar in den kerker zuchten.
De jonge Hoeckelom zwierf ondertusschen om den Burcht. Hij wist, dat een geheime gang van 't Slot naar 't bosch toe leidde; hij zocht den uitgang, maar vergeefs. Zoo vond hem Rudimer, de page. De knaap was listig en beraamde een plan. Hij bracht de wachters in een diepen slaap, door wijn, met zeker kruid vermengd. Hij schoof de grendels van de cel en leidde Kunegond naar buiten. Hier opende hij zacht een poortje bij de gracht en gaf een teeken. In 't water wachtte Guido, ving de Jonkvrouw op en voerde haar behouden naar den oever. Zij vluchtten en zij werd de zijne.
De vader, die de vlucht vernam, vloekte zijn dochter Kunegonde. Hij wilde haar nooit meer zien. Maar toen hij sterven ging, kwam het berouw. Men zag hem in de laatste nachten voor zijn dood trap af, trap op gaan, bij de kerkers dralend. En eindelijk vond men hem, gevallen in het hol, waar Kunegonde had geweend en had geleden.
En later, als gevangenen in de kerkers smachtten, verscheen hun soms een bleeke Ridder, de geest van hem, die eens hier had gefaald.
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Van Hoeckelom   
Jacoba   
Kunegonde   
Guido   
Rudimer   
Dorenweerd   
Roosendaalse   
Naam Locatie in Tekst
Doorwerth   
Roosendaal   
Plaats van Handelen
Doorwerth   
