Hoofdtekst
lck hadde Sijn Hoogheyt, den Prins van Orange, tot Amsterdam belooft 's ochtens ten 7 uyren te koomen oppassen, maer alsoo men mij aen 't logement seyde dat Sijne Hoogheyt al uyt was, liep ick met sijn hofmeester Joan de Bie, heer van Albranweert, de stadt op en neer nae hem soecken. Onderweeg kreegen wij quacksalversbriefjes als kaf, maer heel vermoeyt zijnde, soo trocken wij ten 9 uyren weer nae huys toe, daer wij Sijne Hoogheyt vonden wachten. R. 'Ghij zijt schoone luyden etc.' R. 'Mijnheer, uw heer hofmeester seyde dat Uwe Hoogheyt al uyt was.' 'Soo was ick van de kamerpage onderrecht.' 'Die fielebouten zijn in 't hoerhuys geweest', seyde Maurits van Nassauw, heer van de Leck, 'en nu maken sij ons wijs dat sij ons gesocht hebben? Ey lieve, siet hier, 't volck heeft er haer sien uytkoomen en daerom dese briefjes gepresenteert, want sulcke luy zijn haer beste kalanten.' R. 'Wat zijn dit voor biljetjes?' R. 'Die een quade conscientie heeft, gebruyckt de meesters en die een goede heeft alleen de briefjes.'
Beschrijving
Bij een bezoek aan de Prins van Oranje bleek de prins er niet te zijn. Zijn bezoek ging hem in de stad zoeken. Door een misverstand echter dacht men bij terugkomst dat het bezoek in die tussentijd naar de hoeren was geweest. Men dacht, doordat er reclame voor kwakzalvers werd gemaakt, dat de heren deze door hun slechte geweten nodig hadden gehad.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Prins van Orange   
Joan de Bie   
Albranweert   
Maurits van Nassauw   
Naam Locatie in Tekst
Amsterdam   
Leck   
Lek   
Oranje   
Nassau   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
