Hoofdtekst
Als de griffier Cornelis Musch gestorven was, ontboodt mevrouw den commys Spronssen, hem versoeckende, alsoo hij allerwegen quam, dat hij haer soude seggen wat spraeck dat haer man nae ging. 'Ick hoore', seyde sij, 'datter veel sich over hem beklaegen.' R. 'Ick weet niet, mevrouw, waer de luyden sich mede mogen bemoeyen en dat se de man niet met vrede laeten rusten, daer niemandt (om de waerheyt te seggen) redenen om te klaegen heeft als wij met ons beyden, want mevrouw, u heeft hij al te weynig ende mij al te veel gebruyt.'
Beschrijving
Toen griffier Cornelis Musch overleden was, wilde zijn vrouw van commies Spronssen weten wat men over haar man zei, omdat ze gehoord had dat velen zich over hem beklaagden. Maar Spronssen vond dat de mensen geen reden om te klagen hadden zoals zij tweeën, want Musch had zijn vrouw te weinig en Spronssen teveel 'gebruid' [hier in zowel de betekenis van beslapen (van zijn vrouw) als lastigvallen (van Spronssen)].
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Cornelis Musch   
[Jan] Spronssen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
