Hoofdtekst
Een grootse geck sat en snoefde van sijn adel en hoogen afkomst. Een kaerssemaecker seyde datter geen man was van hooger maegschap als hij, want als de maen wat te doen heeft of met haer broer in questie is, ben ick diegeen die haer beurt moet waernemen. Ghij kunt nu rekenen hoe nae vrienden wij metten andren moeten wesen.
Beschrijving
Iemand schepte op over zijn adellijke afkomst. Een kaarsenmaker zei toen dat er niemand was van een hogere afkomst dan hij, want hij verving de maan wanneer die afwezig was.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20