Hoofdtekst
Monsieur Farnabuc van Osnabrug hadde des nachts een wind laeten vliegen, maer het was soo een kleyn, kleyn Engelsmannetje. Ick quam op sijn kamer sooals het bedde afgehaelt wierdt en vondt hem wat melancolijck. R. 'Wat schort eraen, is uw vrijster u ontvrijt'?' R. 'Jae, jae, lacch jij er wat mede, ick ben warachtig leelijck in mijn gat gebeten.' R. 'Souw ick u niet geloven? lck kan het klaer sien, daer sit het bloedt noch aen de laeckens.'
Beschrijving
Een heer liet 's nachts een wind. Toen zijn bed werd afgehaald was hij wat melancholiek. Toen iemand vroeg of zijn vrijster weg was zei hij dat hij [bij wijze van spreken] lelijk in zijn gat was gebeten. Daarop zei de ander: "Zou ik u niet geloven? Ik kan het duidelijk zien, daar zit het bloed nog aan de lakens."
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Farnabuc   
Engelsmannetje   
Naam Locatie in Tekst
Osnabrug   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
