Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ARCHEON10 - Karel ende Elequast

Een sprookje (mondeling), zondag 06 juni 2004

Leonardo_Diffusion_XL_Charlemagne_riding_at_night_and_a_knight_0.jpg
1254.jpg

Hoofdtekst

[De verteller heeft belletjes om een enkel en speelt vooraf op de mondharp]

Fraeye historie ende al waer
Mach ic u tellen, hoort er naer.
Het was op enen avontstonde
Dat Karel slapen begonde
Tingelhem op den Rijn.
Dlant was alle gader sijn.
Hi was keyser ende coninc mede.
Hoort hier wonder ende waerhede.
Wat den coninc daer ghevel,
Dat weten noch die menige wel,
Tingelhem al daer hi lach,
Ende waende op den anderen dach
Crone draghen ende houden hof,
Om te meernen sinen lof.
Daer hi lach ende sliep.
Een heilich engel hem aneriep,
So dat den coninc ontbrac
Biden woorden die dengel sprac.

Als ik zo nog een tijdje doorga, begrijpt er helemaal niemand meer wat van. [Publiek lacht] Ah, ik pak het op het laatst wel weer even terug. Dus ik begin even overnieuw.
Een schone en geheel ware geschiedenis zal ik u vertellen. Luistert met aandacht. Karel de Grote, zoon van Pepijn de Korte, kleinzoon van Karel Martel, lag op zekere avond te slapen in kasteel Ingelheim aan den Rijn. Van de Donau tot de Noordzee, van Keulen tot Rome, alle landen rondom behoorden den koning toe. En hij was van plan den volgende dag in vol ornaat en met gekroonde hoofde hof te houden ter meerdere ere van zijn eigen gloria in excelsis Deo of zoiets. [Publiek lacht] Die nacht verscheen er aan koning Karels bed een heilige hemelse engel Gods.
"Sta op, edele man! Gaat stelen en roven deze nacht. Trekt uw kleren aan en kleedt u. Het is Gods bevel, en doet gij dat niet, dan zult gij sterven en doodgaan ende uw leven verliezen."
Koning Karel schoot wakker. Hij keek om zich heen: hij zag niemand. Hij dacht dat hij gedroomd had en viel weer in slaap.
Ten tweede male verscheen den heilige hemelse engel Gods aan koning Karels bed.
"Sta op edele man, trekt uw kleren aan en kleedt u. Anders noemen ze u nooit meer Karel de Grote. Gaat stelen en roven deze nacht, het is Gods bevel. En doet gij dat niet, dan zult gij sterven en doodgaan ende uw leven verliezen."
Koning Karel werd weer wakker. En hij was groot in vele dingen: hij viel weer in slaap.
Ten derde male verscheen den heilige hemelse engel Gods aan koning Karels bed.
"Sta nou toch op, edele man, wordt wakker, trekt uw kleren aan en kleedt u, gaat stelen en roven deze nacht! En het dievenpad op! En doet gij dat niet, dan zult hij sterven! En niet zo'n klein beetje ook! Gij zult hartstikke dood gaan en ook nog uw leven verliezen!"
Ditmaal was koning Karel klaarwakker! Hij trok z'n kleren aan, schoot in zijn harnas en gordde zijn wapens om. De glorie van God was met hem die nacht en hield eenieder in kasteel Ingelheim in een diepe slaap. De heilige hemelse engel Gods ging koning Karel voor en opende de sloten van de deuren, simpelweg door met Gods zegen zeven tonen te blazen op zijn hemelse schalmei. [Speelt de luide tonen op blaasinstrument. Een vrouw in het publiek zegt: Oeh, wat vals]. Des te groter was het wonder dat niemand wakker werd. [Publiek lacht] De engel fladderde klapwiekend naar de stal. En koning Karel, geharnast, hobbelde daar piepend en rammelend achteraan. In de stal aangekomen, soort van sprong hij op zijn paard en reed de donkere duistere nacht in. De heilige hemelse engel Gods verdween zoals hij gekomen was, plotsklaps en met een diepe zucht: hehhh! [Publiek lacht]
Koning Karel reed nu de nog donkerdere nacht in. Verward was hij. Waarom moest hij gaan stelen deze nacht? Hij was rijk man, en menige dief had hij de doodstraf gegeven... Ja, als koning moet je een lijn trekken.
Koning Karel, hij dacht aan Elequast. Elequast, ooit een voornaam heer met landgoed, ridders, jonkvrouwen en schandknapen... Ooit, om een klein vergrijp, had koning Karel Elequast al zijn bezittingen ontnomen. Nu leefde Elequast geheel en al van stelen en roven. En zo was het koning Karel ter zijn grote oren gekomen - of zoiets - dat Elequast nooit echter armen bestal, of zij die van de arbeid leefden, of pelgrims. Maar abten, kanunniken, monniken en edelen... zij zijn voor de man niet veilig.
Wat zou het fijn zijn, dacht koning Karel, om een metgezel als Elequast te hebben deze nacht.
"Hallo, ik ben de Zwarte Ridder, zwarter dan zwart."
Koning Karel zag een schimmige schaduw voorbijschieten. Hij dacht: het is de duivel. Hij trok zijn zwaard.
"Staat, gij snoodaard!"
"Wie noemt mij daar snoodaard? Wie zijt gij wel, dat gij mij snoodaard durft te noemen? Zoon van uwen moeder."
"Dat zeg ik niet," sprak koning Karel en wild zwaaiend met zijn zwaard stormde hij op de zwarte af.
Zwaarden ketsten tegen elkaar, vonken vlogen in het rond, bloeddruppels, zweetdruppels, vingerkootjes, woeste klanken vlogen in het rond. [Publiek lacht]
De Zwarte, hij brak zijn zwaard op het schild van koning Karel.
"Niemand noemt mij zoon van mijn moeder," sprak koning Karel, wel degelijk de zoon van zijn moeder. En zo ging hij verder: "Wie zijt gij wel, en wie zijt gij niet?"
Wat moet je daar nou op antwoorden?
"Uh, wel, huhuh, Elequast, ja, dat zijt ik wel. Huhuh, ja. En wat ik niet zijt? Wel, huhuh, de duivel zijt ik niet, huhuh."
Koning Karel viel op zijn knieën en dankte de hemel dat het niet de duivel was.
En Elequast ging verder: "Mijn naam is Elequast. Ooit een voornaam heer met landgoed, jonkvrouwen, ridders en schandknapen, en ooit om een klein vergrijp heeft koning Karel mij al mijn bezittingen ontnomen. Nu leef ik geheel en al van stelen en roven, nooit echter besteel ik..."
"Zwijg Elequast! Zo kan het wel weer."
Die man maar praten!
"Mijn naam is Adelbrecht," loog koning Karel: "Ik ben een dief in de nacht, net als gij dat zijt. Ik wil dat gij met mij uit stelen gaat deze nacht."
"O, nou, dat is goed, beste Adelbrecht. Waar wilt gij dan gaan stelen deze nacht?"
"Luister, Elequast, deze nacht wil ik gaan stelen bij koning Karel te Ingelheim, niet ver van hier."
"Wat zegt gij me daar? Gaan stelen bij de edele koning Karel. Ohhohhohhohh, dat nooit en te nimmer. Ik val liever hier direct dood neer, om vervolgens te sterven en vervolgens mijn leven te verliezen. Ohhohhohh, gaan stelen bij den edele koning, nou nou nou nou. Dat doen ik niet."
Het deed koning Karel goed deze woorden te horen van Elequast. En hij nam zich plechtig voor dat als hij deze nacht zou overleven, Elequast weer in ere te zullen herstellen in de gloria.
"Waar wilt gij dan gaan stelen, beste Elequast?"
"Uh, wel, uh, luistert, koning Karel, uh, ik bedoel uhhh, Adelbrecht... ja, hoe kom ik daar nu ineens op? Uh, beste Adelbrecht, uh, hier niet zo gek ver vandaan de andere kant uit, daar staat het kasteel van Eggeric - de Engerik - van Eggermonde, van Kwaak tot Erger en nog Erger. En als er één een snoodaard is, dan is hij het wel: een verrader, als je het mij vraagt. Jaha. En, beste Adelbrecht, hij heb mooie spulletjes."
En zo geschiedde het. Ze reden met elkander voort. En ze reden naar de burcht van Eggeric van Eggermonde. En sloegen een gat in de muur. Elequast, hij sprong naar binnen. Hij nam uit zijn buidel een heksenkruid. Dat heksenkruid legde hij onder zijn tong. Nu werd hij wakkerder dan anders en kon onder andere het Latijn van de vogels verstaan.
"Roekoe roekoe roekoe," koerden de duiven.
En Elequast verstond dat koning Karel in de buurt was. Hohh, koning Karel was in de buurt! Hij sprong naar buiten en vertelde in zijn ogen Adelbrecht (koning Karel) dat koning Karel in de buurt was. Elequast gaf Adelbrecht van het heksenkruid. Koning Karel legde het heksenkruid onder zijn tong; ook koning Karel werd wakkerder dan anders, ook koning Karel kon het Latijn van de vogels verstaan.
"Roekoe roekoe roekoe," koerden de duiven.
En de duiven vertelden weer dat koning Karel in de buurt was.
"Wat luistert gij naar vogels, Elequast? Schiet op man, ga stelen nu!"
Elequast sloop naar binnen en sloten opende hij kundig. Een rijke schat droeg hij naar buiten. Nog één keer wilde hij naar binnen gaan, want hij wist in het slaapvertrek van Eggeric en zijn vrouw - die tevens zuster was van koning Karel - een prachtig zadel te staan met honderd roodgouden bellen.
Koning Karel vond dat helemaal geen goed plan. Koning Karel wilde het liefste zo snel mogelijk weer weg wezen, want hij vond het maar helemaal niks daar buiten dat kasteel van Eggeric, de Engerik, van Eggermonde.
Maar Elequast was al weer naar binnen geslopen. Hij kwam in het slaapvertrek van Eggeric en diens vrouw, en voorzichtig pakte hij het zadel op. Eén belletje rinkelde zachtjes.
Direkt schoot Eggeric rechtop in bed, trok zijn zwaard en riep: "Wie beroert daar mijn zadel?!" [Publiek lacht om ruwe stem]
Ook zijn vrouw werd wakker: "Wahwahwahwahwahwahwah? Wat is er nu weer aan de hand? Eggeric, wat is er nu weer aan de hand?"
"Wel vrouwe, heheheh, wat er aan de hand is? Dat zal ik je vertellen! Heheheh, ik hoorde een belletje rinkelen."
"Nou nou nou nou nou nou nou, Eggje, Eggje, Eggje, ik hoor zo vaak belletjes rinkelen. Eigenlijk hoor ik alleen maar belletjes rinkelen, ja. Ja, dat heb ik nou eenmaal, huhhuh. Maarruh, het was waarschijnlijk een muisje ofzo. Eggeric, vertel het me nou maar: wat is er nou toch aan de hand?"
Eggeric van Eggermonde, hij wilde zijn vrouw helemaal niets vertellen. Maar mogelijk kent gij allen vrouwen... En vrouwen, als zij iets vermoeden, dan blijven ze doorzeuren. Ze blijven net zo lang doorzeuren tot ze het weten. En daar was zelfs een Engerik van Eggermonde niet tegen bestand. Dus na verloop van tijd besloot hij de waarheid te vertellen.
"Wel, vrouwe, ik zal het je vertellen. Ja. Drie dagen geleden heb ik met mijn mannen koning Karels dood gezworen, ja! Hehe, morgen is de dag dat hij zal sterven, doodgaan en zijn leven zal verliezen. Morgen is de dag dat zijn noodlot zal toeslaan! Hehe, en dan zullen al zijn bezittingen de mijne zijn... Eggeric de Grote, hehehe!"
"Maar maar maar maar maar maar maar maar... ohhhh, Eggeric, maar dat mag niet! Ohh! Onze... mijn lieve broer koning Karel doodmaken, ohh, dat is niet goehoed. Hij heeft ons alles gegeven. Oh, Eggeric, gij zijt een snoodaard. Dat ga ik verklappen aan mijn broer koning Karel. Ja, want ik heb namelijk liever dat ze u ophangen bij uwe keel."
Na die woorden sloeg Eggeric, de Engerik, van Eggermonde zijn vrouw vol in het gezicht! Voem! Bloed spoot uit haar neus en uit haar mond! Vijf tanden spuwde ze uit op de grond. [Stampt vijfmaal op de grond terwijl het spugen wordt uitgebeeld]. [Publiek lacht]
Elequast die alles gezien en gehoord had, prevelde wat toverspreuken en gebeden, en bracht daarmee Eggeric en zijn vrouw weer in een diepe slaap. Hij sloop naar het bed en nam de vijf tanden van Eggerics vrouw mee, als bewijs voor hetgeen hij gezien en gehoord had. Hij pakte... hij nam voor de zekerheid ook het prachtige zwaard mee van Eggeric - waar Eggeric zeer op gesteld was - en ook het schitterende zadel. Voorzichtig droeg hij het naar buiten. En buiten gekomen vertelde hij aan Adelbrecht, alias koning Karel, dat uh... wat er allemaal gebeurd was, en wat 'ie gezegd had, en hij was vast en zeker weer naar binnen gegaan om korte metten te maken met Eggeric van Eggermonde.
"Doe dat toch niet," sprak koning Karel, die op dat moment wel besefte waarom die nacht er een heilige engel Gods aan zijn bed verschenen was, en hem het dievenpad op had gestuurd.
Maar Elequast die was vast en zeker...
"Uh, ik ga naar binnen en ik snij zijn keel door, dan maak ik hem dood, zodat 'ie... ik maak hem hartstikke dood, dood..."
"Doe normaal, Elequast! Nou kan 'ie wel weer! Luister, luistert en huivert. Morgenochtend in de vroegte ga ik naar koning Karels kasteel en vertel hem alles wat hier deze nacht voorgevallen is. En dan kom ik je opzoeken in het bos - ik weet waar je woont, bij de derde boom links - en dan verdelen wij de buit."
"O ja, dat is goed."
En zo ging eenieder zijns weegs.
Koning Karel reed weer naar huis, naar Ingelheim, en hij vond de poorten van het kasteel geopend. Hij bracht zijn paard naar de stal, en iedereen was nog steeds in een diepe slaap. Toen hij in zijn slaapvertrek kwam en zijn wapens afdeed, hoorde hij de wachter hoog van de toren blazen [blaast op hoorn] ten teken dat de nieuwe dag was aangebroken.
Direct riep koning Karel zijn geheime raad bij zich, en vertelde hen van het verraad van Eggerik van Eggermonde, van Kwaak tot Erger en Erger, dat op handen was. Een groot leger werd opgetrommeld, de mannen werden zwaar bewapend, en gelukkig had de hertog van Beieren een plan. Ja, wat zouden wij moeten zonder de hertog van Beieren?
Iedere keer werden er kleine groepjes van het leger van Eggeric binnen het kasteel gelaten en dan werd er onder hun kleren gekeken... [Publiek lacht] En daar trof men onder andere scherpe wapens aan. Het verraad was overduidelijk. En niemand was zo zwaar bewapend als Eggeric van Eggermonde zelf. De verraders werden afgevoerd en opgesloten. En Eggeric van Eggermonde werd voor de koning geleid en daar ontkende de snoodaard zonder enige schaamte zijn verraad.
"Ik heb helemaal niks misdaan, hoor, neehee. Ik vind je heel erg lief hoor, koning. Huh, ja, het liefste zou ik je doodknuffelen, hehheh. Laat die verrader die mij van verraad beticht, laat die maar voor mij komen: dan zal ik hem zelf wel even hehheh [maakt stampgeluiden] in de grond stampen of zoiets." [Publiek lacht]
Dat vond koning Karel nog niet zo'n slecht plan: om Elequast te laten vechten met Eggeric. Dus boodschappers zond hij uit, met de mededeling dat als Elequast de wapens zou opnemen tegen Eggeric, dat zijn misdaad van jaren geleden vergeven zou worden. Toen dit bericht Elequast bereikte: het verheugde hem zeer. Hij zadelde zijn paard met het zadel dat hij de vorige dag ontnomen had. Het zwaard van Eggeric deed hij aan zijn zij, en terstond reed hij naar Ingelheim.
Daar aangekomen sprak hij de menigte toe: "Gegroet, gij allen hier, huhhuh. Hallo. [Publiek lacht] Mijn naam is uh uh... Elequast. Ja, uhhuh. Ennuh, ik vraag... ik dank de grote God, dat ik hier mag komen, ja. En ik dank ook... ik vraag ook de goeie God eenieder hier te zegenen. Behalve Eggeric van Eggermonde. Hem groet ik niet. Hem is een snoodaard, een verrader."
"Elequast, vertel ons: wat heeft Eggeric misdaan?"
"Wel, huhhuh dat zal ik vertellen. De andere nacht was ik in Eggerics kasteel, jaha, en in zijn slaapkamer. Ziehier Eggerics zadel. Ziehier Eggerics zwaard. En ik hoorde de snoodaard zijn lieve vrouw vertellen dat hij koning Karel, jaha, uw dood had gezworen, beste koning. Ja. En toen heeft die gemene snoodaard zijn lieve vrouw... ja, zijn vrouw wilde het verklappen, jaha... Dat heeft hij toen verteld, toen zei zijn vrouw dat ze het wilde gaan verklappen, en toen heeft hij haar vol in het gezicht geslagen. Bloed spoot uit haar neus en uit haar mond; vijf tanden... [stampt weer vijfmaal op de grond] spuwde ze uit op de grond. Ziehier de vijf ontbrekende tanden van Eggerics vrouw, den Tandeloze." [Toont vijf grote tanden. Publiek lacht. Een jongetje uit het publiek klaagt dat hij niets ziet. Verteller laat de tanden ook nog aan hem zien]
Elequast, hij toonde een iedereen, een ieder daar aanwezig de vijf ontbrekende tanden van Eggerics vrouw, den Tandeloze. [Publiek lacht] Jaja, dat is een gebitje waar menige vrouw jaloers op is. Het verraad was bewezen en overduidelijk.
"Eggeric van Eggermonde," sprak koning Karel, "Eggeric van Eggermonde van Kwaak tot Erger en Erger en Erger en Erger en nog Erger en nog Erger en Erger en Erger, en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan, want het wordt alleen maar erger. Wat wilt gij? Wilt gij sterven door opgehangen te worden, onthoofd, gevierendeeld, gemangeld en geradbraakt, of verkiest gij te strijden met Elequast?
"Uh, wel, beste koning, uhhuh, laat me even nadenken. O, nou ja, ik geloof dat ik maar liever ga vechten."
"Eggeric en Elequast, bereid u voort op de strijd."
Elequast, hij viel op zijn knieën en vroeg de koning vergiffenis voor het stelen van een ganzenveer. Het was bestemd om een schrijfveer van te maken voor koning Karel; de beste man kon helemaal niet schrijven, maar ja, goed, Elequast had die veer in zijn hand genomen, koning Karel was helemaal witheet van woede, had hem al zijn bezittingen ontnomen... Elequast, hij vroeg om vergiffenis.
Daarna, om zich voor te bereiden op de strijd, nam hij een bad in wijwater, overgoot zich met wijwater, hij bewierookte zijn paard met hele vaten wierook, en ook zijn wapens, daarna vrat 'ie een hele bak vol hosties leeg [Publiek lacht], en hij rende op zijn blote knieën zeven maal zeven maal rond de kathedraal van Aken. [Vrouw in publiek zegt: zo! Publiek lacht] Ja, en dat was nog in een behoorlijk vaartje ook. En daarna is 'ie nog op handen en voeten naar de bisschop van Utrecht gekropen, en heeft hem om zijn zegen gevraagd om te mogen gaan moorden in Gods naam.
Eggeric deed niets van dit alles. Hij ontstak in razernij. Hij brandde van binnen van woede. Z'n maagzuur verteerde zijn ingewanden. En een klein rookpluimpje steeg op uit zijn helm.
Elequast zat rechtop in zijn zadel, een lans in zijn rechterarm, een schild in zijn linker, en hij gebaarde tussendoor wat kushandjes naar jonkvrouwen, Eggerics vrouw den Tandeloze, een paar schandknapen...
"Joehoe." [Publiek lacht]
Eggeric stormde woest en onbehouwen in op de lange lans van Elequast, en Elequasts lans stiet door Eggeric z'n lederen kolder, en Eggeric werd uit het zadel geworpen op de grond. Hij sprong weer op.
"Ik zal gehakt van je maken! En biefstuk van je paard!"
"Uh, wel, Eggeric, praat toch niet zo, beste man. Ik bedoel: gij zijt zo laag dat gij een ladder nodig heeft om de kale kont van een slang te kussen, maar toch wil ik liever met u vechten als ware u een edelman."
Dus Eggeric klom weer op zijn paard en een wild gevecht nam een aanvang. Zwaarden sloegen op elkaar in, en ze sloegen en ze schopten, scholden elkaar uit voor zulthoofd. En ze hakten en ze hikten en ze huilden. En ze brulden en ze bralden en ze beukten en ze beten. En koning Karel, hij vond het allemaal schitterend en prachtig. Verder was iedereen allang naar huis gegaan. [Publiek lacht] Behalve Eggerics vrouw den Tandeloze en een paar schandknapen.
Maar nog voordat de zon onderging stond de grote koning van het Frankenrijk op en hij sprak: "God, zo waarlijk Gij hier almachtig zijt, moget Gij deze lange strijd en kamp ten einde brengen, naar recht en naar rede."
Op hetzelfde moment hield Elequast het zwaard dat hij de dag tevoren Eggeric ontnomen had hoog in de lucht en liet het neerkomen met zulken kracht, gesterkt door het gebed van koning Karel - en laten we alsjeblieft de goeie God hier buiten houden - dat het Eggerics schedel doormidden kliefde. Eggeric stortte dood ter aarde. Hij werd weggevoerd, opgehangen, onthoofd, gemangeld, gevierendeeld en geradbraakt.
En zo ging het ook met alle andere verraders. En daar hielp geen gebed of losgeld tegen.

Nu wil ic corten dese dinc.
Men sleepte Eggeric ende hinc,
Ende alle die verraders mede.
Daer en halp scat noch bede.
Elegast bleef in siner eere.
Dies dancte hi Gode onse Heere.
Die coninc gaf hem Eggerics wijf.
Si waren tsamen al haer lijf.
Aldus moet God al onse saken
Voor onse doot te goede maken.
Des gonne ons die hemelsche Vader.
Nu segghet amen alle gader.

Dus Elegast... Elequast bleef in zijn eer en hij dankte God. Hij kreeg... hij trouwde met Eggerics vrouw den Tandeloze, ze waren nog vele jaren gelukkig samen, en zeg nu allen samen Amen.
[Publiek: Amen. Applaus]

Onderwerp

AT 0952 - The King and the Soldier    AT 0952 - The King and the Soldier   

ATU 0952 - The King and the Soldier.    ATU 0952 - The King and the Soldier.   

Beschrijving

Koning Karel krijgt van een engel Gods tot drie maal toe de opdracht om 's nachts uit stelen te gaan. Onderweg ontmoet hij de verbannen hertog Elequast, die de koning niet herkent. De koning blijft derhalve incognito en noemt zich Adelbrecht. Het tweetal besluit om bij Eggeric te gaan stelen, nadat Elequast heeft geweigerd om Karel te gaan bestelen. Er wordt een gat in de muur van het kasteel gemaakt en Elequast gaat naar binnen om te stelen. Via een toverkruid verneemt hij uit de taal der vogels dat koning Karel in de buurt is. Als hij het zadel met de belletjes wil stelen uit de slaapkamer van Eggeric, wordt de laatste wakker en volgt er een twistgesprek met de echtgenote. Eggeric vertelt zijn vrouw (de zus van koning Karel) van het complot tegen Karel. De vrouw maakt bezwaar, maar wordt vervolgens mishandeld. Elequast neemt als bewijs de tanden mee die uit haar mond zijn geslagen. Op de hofdag worden Eggeric en zijn kornuiten gegrepen; ze dragen wapens onder hun kleding. Er volgt een tweegevecht tussen Elequast en Eggeric, en de laatste wordt verslagen. Elequast wordt in ere hersteld en hij mag trouwen met de zus van Karel.

Bron

Verteld op de Nationale Verteldag in het Archeon in Alphen aan den Rijn (bandopname archief Meertens Instituut)

Commentaar

6 juni 2004
Zie onder Beeld voor een foto van de verteller.
The King and the Soldier

Naam Overig in Tekst

Archeon    Archeon   

Nationale Verteldag    Nationale Verteldag   

God    God   

Karel de Grote    Karel de Grote   

Pepijn de Korte    Pepijn de Korte   

Karel Martel    Karel Martel   

Elequast    Elequast   

Elegast    Elegast   

Eggeric de Engerik van Eggermonde    Eggeric de Engerik van Eggermonde   

Adelbrecht    Adelbrecht   

Zwarte Ridder    Zwarte Ridder   

Van Kwaak tot Erger en nog Erger    Van Kwaak tot Erger en nog Erger   

Latijn    Latijn   

Tandeloze    Tandeloze   

Naam Locatie in Tekst

Beieren    Beieren   

Aken    Aken   

Utrecht    Utrecht   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21