Hoofdtekst
Een vrouw die op sterven lag, kreegh met een dominé met een baerdt in folio bij haer om haer in de laetste noot te troosten. Hij dede haer drie à vier niael een gebet voor, dat sij soo half en half naprevelde, maer sij sach den predikant soo sterck aen dat hij klaer kon sien dat sij sonder aendacht badt. Hij wiert dan als gedwongen haer te vraegen hoe sij hem soo sterck aensagh. R. 'Och dominé, ick derf het niet seggen, gij sout quaet werden!' R. 'Ick beloove u van neen.' R. 'Och, denk ick, dat ick eens weder gesont wierdt, soo wenschte ick wel soo schoonen baert aen mijn buyck te hebben als de uwe, het soude mijn man sulken vermaeck weesen: hij pluyst doch soo gaerne.'
Beschrijving
Een predikant met een grote baard kwam een stervende vrouw bijstaan. Hij vroeg haar waarom ze hem steeds zo bleef aankijken. Antwoord: "Als ik weer gezond zou worden, dan wil ik net zo'n mooie baard op mijn buik hebben als die van u, het zou mijn man zo vermaken; hij pluist zo graag."
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20