Hoofdtekst
Een bedelaerster importuneerde iemant seer. 'Mijnheer, ick hebbe seven kinderen sonder vader, etc.' R. 'Vrouwtjen, ick heb het niet.' R. 'Och mijnheer, ick hebbe in geen 2 dagen broot geproeft.' R. 'lck geloof je wel, maer ick hebbe geen gelt tegenwoordig bij mij. ' R. 'Och mijnheer, ick ben seker soo arm.' R. 'Selderment, vrouw, laet mij gaen, ick segge dat ick u wel geloove dat ghij arm sijt, waerom wilt gij mij niet geloven dat ick geen gelt hebbe?'
Beschrijving
Een bedelaarster bleef maar bij een heer om geld vragen, ook al hield hij vol dat hij geen geld bij zich had. Op het laatst zei hij: "Vrouw, laat mij gaan, ik geloof wel dat u arm bent, waarom gelooft u dan niet dat ik geen geld bij me heb?"
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20