Hoofdtekst
Een die een wackren douw met een opsteecker in sijn wambays gekregen hadde, begon wat na aen de doot te komen, soodat de vrienden hem begosten te vermanen, voornaementlijck daerop dringende dat hij de fout sijn evennaesten, schoon hij sijn vijant was geweest en d' oorsaeck van sijn doot was, van harten vergeven moest etc. Maer hij hadt er geen ooren na, doch eyndelijck quam hij soover dat hij seyde: "t Is wel dan, als het wesen moet, soo vergeef ick het hem van harten, maer de duyvel moet mij haelen soo ick weer op kom, soo sweer ick dat ick mij aen dien schelm sal wreken.'
Beschrijving
Een man die tijdens een gevecht is gewond geraakt, raakt in kritieke toestand. Zijn vrienden vrezen voor zijn leven en ze wijzen hem op zijn fouten waar hij vergeving voor moet vragen. Bovendien dringen ze er bij hem op aan dat hij zijn naaste, de man die hem de verwonding heeft toegebracht, van harte vergeven moet. Dit ondanks het feit dat hij zijn vijand is en hem levensgevaarlijk verwond heeft. Na lang aandringen is de gewonde zo ver. Vooruit, hij zal hem dan van harte vergeven. Daar voegt hij gelijk aan toe dat de duivel hem moge halen als hij weer opknapt en hij zal zich aan die schurk niet wreken.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20