Hoofdtekst
Als men in de gemeene schuyt geduyrende den Engelschen Oorlog sprack van dat het met de neeringen soo slecht ging, seyd'er een vrouw: 'G[od] danck, wij en hebben nogh geen klagen, het gaat noch al soo redelijckjes toe.' R. 'Waer woont gij dan, vrouwtje?' R. 'Tot Haerlem.' R. 'Wel, dat is niet meer vrij als andere steden. Wat doet uw man?' R. 'Hij is scharprechter.'
Beschrijving
Ten tijde van de Engelse Oorlog zit een aantal mensen in de trekschuit en men spreekt over de slechte handel. Een vrouw geeft aan dat het met hen zo slecht nog niet gaat, haar man houdt redelijk werk. Als blijkt dat ze in Haarlem woont, groeit de verbazing: daar hebben ze toch ook te kampen met alle narigheid van de oorlog? Men wil dan wel graag weten wat haar man doet. Hij blijkt beul te zijn.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
De grap zit in het gegeven dat de beul hier als ambachtsman wordt voorgesteld, terwijl hij een heel afwijkend beroep heeft. Hij is niet afhankelijk van handel. (Zie ook )
Naam Overig in Tekst
Engelse Oorlog   
Naam Locatie in Tekst
Haarlem   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
