Hoofdtekst
Een bootsgesel op zee zijnde en een groote kring om de maen siende, sey de stuyrman: 'Wij sullen onweer hebben. Siet gij daer de lucht wel?' R. 'Tut, tut, dat mag de maen wel op.' De bootsgesel ging weynig daerna en ley bij de groote mast een excellente draeyer. R. 'Wat duyvel, doe je daer, jou hontsvot?' R. 'Wel, mag de maen dat alles op, soo mags 'er dat wel bij op.'
Beschrijving
Een matroos op zee ziet een kring om de maan. De stuurman ziet het ook en laat weten dat er dan onweer op komst is. Daarop krijgt hij de reactie dat dat (het onweer) de maan wel op kan (hij wenst het dus ver van zijn schip). Een weinig later gaat de matroos zijn behoefte doen en legt bij de mast een perfecte 'draaier', een ronde drol. Verbaasd vraagt men wat hij aan het doen is. Hij antwoordt dat als alles op de maan mag, ze dat van hem er ook wel bij mag hebben.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20