Hoofdtekst
Jonathan, een ingoedt mensch van natuyre, was door opgekropten toorn soo dapper ontsteecken dat hij met een lang rapier 6 daegen lang ging om sijn partij te grieven. Eenige dagen daernae vroeg hem capiteyn Posser: 'Wat sout gij evenwel gedaen hebben soo Jan u tegen was gekomen?' R. 'Ick souw hem bij kris en bij kras in sijn darmen gebruyt hebben.' R. 'Daer dunckt mij staet u gat welnae.' R. 'Heel wel om een windbuyl die het niet en gelooft bey sijn neusgaeten vol te scheijten.'
Beschrijving
Bij Jonathan, van nature een zeer goed mens, is de opgekropte woede er zo heftig uitgekomen, dat hij een lang rapier bij zich draagt en zes dagen lang op weg gaat om zijn tegenstander op te zoeken. Enkele dagen na die zoektochten vraagt kapitein Posser aan hem wat hij eigenlijk gedaan zou hebben als Jan hem tegen zou zijn gekomen. Jonathan laat weten dat hij zonder pardon toegestoken zou hebben. De reactie is wat spottend: alsof Jonathan daartoe in staat zou zijn (alsof zijn 'gat' - achterste - daarnaar zou staan). De heldere reactie van Jonathan is, dat dat gat in ieder geval heel prima in staat is om een ongelovige windbuil diens beide neusgaten vol te poepen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Jonathan   
kapitein Posser   
Jan   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
