Hoofdtekst
Een snoeshaen ging eens ter biegt daer hij een hoopen tuygs uytbraeckte, maer het meeste was van de weyereij. De paep, een oudt man sijnde, begon bitterlijck te huylen. Dese meende dat de hoop en alles tot de absolutie verlooren was, wilde weggaen. R. 'Blijft noch, blijft noch, uw sonden sullen u vergeven worden en ik schrey daer niet over, maer omdat ick nu bedenck wat voor een man ick in mijn jeugt geweest ben en dat ik er nu niet een hontsvot meer toe doen en kan.'
Beschrijving
Een snuiter gaat eens ter biecht. Hij vertelt hopen smerigheid en zondigheid, waarvan het meeste betrekking heeft op zijn escapades met de vrouwen. De oude priester begint bitter te huilen en de man meent daarom dat alle hoop op absolutie dan wel verloren is. Hij wil vertrekken, maar de priester houdt hem echter tegen onder de verzekering dat zijn zonden hem zullen vergeven worden. De zonden blijken ook helemaal niet de reden voor de tranen van de priester te zijn. Nee, hij huilt omdat hij zich door alle verhalen bedenkt wat voor man hij in zijn jeugd is geweest, en dat hij daar nu geen schaduw meer van is.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20