Hoofdtekst
Een vrouw hadde altoos sulcke swaere kraemen dat sij peryckel liep van sterven. Eens met veel smarten in de kraem gekomen sijnde, nam de man voor sichselven te ontmannen, eer dat hij weer dat elend aen sijn vrouw soude sien. Hij vertoefde met dit sijn opset 12 of 16 daegen. Doe in de kamer tredende gaf sijn voorneemen te kennen en seyde dat hij om seecker te gaen al den bras wilde afsnijden. R. 'Laet ick het dan noch eens voelen.' Hem in de hand hebbende en tersijden lonckende sey se: 'Och, die er in d'andre hand noch soo één hadde.'
Beschrijving
Een vrouw had altijd zulke zware bevallingen, dat ze er zelf het leven bij zou verliezen. Als zich wederom een zeer moeilijke geboorte heeft voorgedaan, neemt de man zich voor om zichzelf te ontmannen om zijn vrouw deze ellende te besparen. Met dit plan loopt hij zo'n twee weken rond en maakt dan kenbaar aan zijn vrouw dat hij van plan is de hele zaak af te laten snijden. De vrouw vraagt dan of zij het dan nog eens mag vasthouden. Aldus geschiedt en terwijl zij een schalkse blik werpt, zegt ze: 'Och, wie er in de andere hand nog zo een zou hebben.' (Zie opmerkingen.)
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Waarschijnlijk schuilt het komische van deze tekst in de portrettering van de vrouw als wellustig wezen: getuige haar laatste zin lijkt zij bepaald dol op de mannelijke geslachtsdelen.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20